Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
5.De beslissing
€ 5.000,00,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De werknemer trad op 9 april 2024 in dienst bij de werkgever voor bepaalde tijd tot 9 oktober 2024. Op 23 juli 2024 werd de werknemer door de werkgever medegedeeld dat zij niet meer hoefde terug te komen wegens vermeend slecht functioneren, wat de kantonrechter kwalificeerde als een ontslag op staande voet.
De werkgever verscheen niet in de procedure en voerde geen verweer, waardoor verstek werd verleend. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat geen dringende reden bestond en er geen verbetertraject was gevolgd.
De werknemer vorderde onder meer een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding en incassokosten. De kantonrechter wees deze vorderingen grotendeels toe, waarbij de billijke vergoeding werd vastgesteld op € 2.500,00 vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en de financiële gevolgen voor de werknemer.
Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en incassokosten, alsmede tot het verstrekken van een specificatie van de eindafrekening binnen een maand, met een dwangsom voor het niet nakomen hiervan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten zijn aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verklaard en de werkgever is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en incassokosten.