ECLI:NL:RBZWB:2025:4772

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
C/02/437367
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met complexe opgroei- en opvoedingsproblemen

Op 22 juli 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, een beschikking gegeven in een zaak betreffende een machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige. De zaak betreft de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling, die verzoekt om de minderjarige uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De minderjarige, geboren in 2009, verblijft sinds juni 2024 in een gesloten accommodatie en heeft een positieve groei laten zien, maar bevindt zich nog steeds in een kwetsbare situatie. De kinderrechter heeft de ouders als belanghebbenden aangemerkt en heeft hen gehoord tijdens de zitting. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de jeugdhulp noodzakelijk is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige belemmeren. Ondanks de positieve ontwikkelingen is er behoefte aan een zorgvuldige aanpak en blijft de kinderrechter betrokken bij de voortgang van de situatie. De kinderrechter heeft de machtiging verleend voor de duur van vier maanden, met de mogelijkheid tot verlenging, en heeft een zitting gepland voor 6 november 2025 om de voortgang te bespreken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437367 / JE RK 25-1219
Datum uitspraak: 22 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. A. Koop-Van Vliet te Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in Duitsland,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat;
  • de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
[minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van haar advocaat, apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter, waarbij [minderjarige] naar haar mening is gevraagd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 7 juni 2024 op basis van een machtiging gesloten jeugdhulp bij [jeugdzorg] in [plaats 1] , zijnde een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
2.3.
Bij beschikking van 25 maart 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 29 april 2025 tot 29 april 2026.
2.4.
Bij nadere beschikking van respectievelijk 27 mei 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 29 mei 2025 tot 29 juli 2025.

3.Het verzoek en het standpunt van de verzoeker

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.2.
De vertegenwoordigster van de GI heeft tijdens de zitting, samengevat, mondeling toegelicht dat het verzoek wordt gehandhaafd voor de duur van zes maanden. De doorstroom naar het hybride bed moet nog plaatsvinden. Het is belangrijk dat dit proces rustig en zorgvuldig verloopt. Alternatieve plekken zijn er op dit moment niet. De hybride groep is gericht op de ontwikkeling van [minderjarige] en het langzaam toewerken naar meer vrijheden en een open groep. Voor nu is het belangrijk dat er nog kaders gesteld kunnen worden en dat er maatregelen kunnen worden genomen. [minderjarige] is er nog niet klaar voor om op eigen kracht te functioneren op een open groep zonder machtiging gesloten jeugdhulp. De hoop bestaat dat de geslotenheid in fases afgebouwd kan worden. Het huidige doorstroomschema moet nog van start gaan. Ook dit kost tijd. De verwachting bestaat dat het plan binnen zes maanden te realiseren is en ondertussen wordt ook bekeken hoe het verder moet na deze plaatsing en ook die duidelijkheid over een vervolgplek is belangrijk voor [minderjarige] . Een toetsmoment leidt bij [minderjarige] tot spanning en onrust. Voor zover de GI bekend zou [dagbesteding] de dagbesteding oppakken. Zo niet, zal ook hier opnieuw naar moeten worden gekeken en dit is niet gemakkelijk nu het een complex dossier betreft. Verder klopt het dat [minderjarige] tot nu toe geen therapie heeft gehad, nu bij [jeugdzorg] de jongere zelf met een hulpvraag moet komen. Dit is niet gebeurd. Mogelijk kan de 1-op-1 begeleiding hierin iets betekenen.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] , vertelt, afzonderlijk gehoord, maar bijgestaan door haar advocaat dat ze begrijpt dat er opnieuw een machtiging gesloten machtiging afgegeven wordt, maar dat ze het wel heel erg fijn zou vinden als de machtiging voor nu wordt beperkt tot drie maanden. De reden hiervoor is dat ze dan na drie maanden aan de kinderrechter kan vertellen hoe het echt gaat en wat de stand van zaken is. Vooral omdat er soms dingen in het verslag van de GI staan die niet kloppen en dit wil ze graag zelf uitleggen aan de kinderrechter. Bovendien is het verslag na zes maanden veel meer samengevat en niet zo gedetailleerd en juist die details vindt ze belangrijk. Verder vertelt [minderjarige] dat ze een baan heeft gevonden. Ze gaat vijf dagen per week bij de [bedrijf] in [plaats 2] werken. Dit heeft ze zelf geregeld en hier is ze blij mee. De dagbesteding is nog niet van de grond gekomen. [dagbesteding] heeft haar per e-mail afgewezen. Hoe het verder zit, weet ze niet. De 1-op-1 begeleiding verloopt ook goed. Ze heeft een klik met beide begeleidsters. Tenslotte geeft [minderjarige] in antwoord op de vraag van de kinderrechter aan dat ze haar best zal blijven doen en zal meewerken.
4.2.
De advocaat van [minderjarige] heeft in aanvulling hierop het volgende aangevoerd. Aan de wettelijke criteria wordt voldaan. Dat er een machtiging gesloten jeugdhulp moet komen is duidelijk en ook [minderjarige] begrijpt dit. Ze heeft een positieve groei laten zien. De advocaat ziet echter wel een afbreuk risico als de machtiging voor zes maanden wordt verleend. Dit is met name gelegen in het feit dat [minderjarige] nu vijf dagen bij de [bedrijf] gaat werken en het onduidelijk is hoe het dan verder gaat met haar dagbesteding en het zoeken naar wat [minderjarige] echt leuk vindt om te doen. Over twee jaar is ze volwassen dus veel tijd is er niet meer. Ook is het onduidelijk of ze nu een tijdelijk- of vast contract heeft bij [bedrijf] , wat dit betekent voor haar leerplicht, voor de dagbesteding, welke hulp er ingezet gaat worden, het psychologisch onderzoek en wat de verwachtingen zijn op langere termijn. Anders dan de GI stelt ervaart [minderjarige] geen onrust rondom een zitting. Het huidige plan dat er nu ligt geldt voor de duur van 15 weken. We zitten nu in week 3. Aan de wettelijke criteria wordt op dit moment voldaan en de machtiging gesloten jeugdhulp is op dit moment noodzakelijk. De vraag is alleen voor hoe lang en of dit over zes maanden ook nog het geval is. Om die reden verzoekt de advocaat om de machtiging toe te wijzen voor de duur van drie maanden met een tussentijds toetsmoment.
4.3.
De moeder heeft haar standpunt toegelicht en daarna de zittingszaal verlaten. De moeder kan zich vinden in het verzoek. Ze is trots op [minderjarige] en hoe ze zich de laatste periode heeft ontwikkeld. De moeder merkt zelf ook verschil in hun onderlinge communicatie. Ze hoopt dat [minderjarige] deze positieve lijn weet vast te houden en weet voort te zetten zonder al te veel terug te vallen in oude patronen. Wel blijft de moeder het jammer vinden dat ze niet actief wordt betrokken door [jeugdzorg] in hoe het met [minderjarige] gaat en wat de stand van zaken is. Dit leest de moeder alleen terug in de verslagen die zij via de rechtbank ontvangt als er weer een procedure loopt.
4.4.
De vader kan zich vinden in het verzoek, hoewel hij wel twijfels heeft of alles tijdig van de grond komt. Het duurt allemaal erg lang. De vader staat dan ook achter het verzoek van [minderjarige] en haar advocaat om te termijn te bekorten voor de duur van drie maanden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp nog steeds noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
De kinderrechter complimenteert allereerst [minderjarige] voor haar inzet in de afgelopen periode. [minderjarige] heeft een positieve groei laten zien en ook tijdens de zitting ziet de kinderrechter een andere [minderjarige] . Dit is fijn om te zien. Ook uit het verslag blijkt dat, op kleine uitzonderingen na, het goed gaat. Het is een (ontwikkelings)proces dat gepaard gaat met vallen en opstaan. Dit maakt ook dat er nog steeds sprake is van een kwetsbare situatie met aanhoudende zorgen. [minderjarige] zal op (korte) termijn worden overgeplaatst naar de hybride groep. Deze overgang moet echter nog plaatsvinden. Hieraan zijn eerder voorwaarden verbonden waaronder het accepteren van 1-op-1 begeleiding en het meewerken aan de dagbesteding van [dagbesteding] . De 1-op-1 begeleiding is opgestart en dit verloopt goed. [minderjarige] heeft een goede klik met beide begeleidsters. Over de dagbesteding bestaat nog onduidelijkheid en dan met name of [dagbesteding] betrokken zal raken. [minderjarige] geeft aan dat ze is afgewezen en de GI lijkt hier niets vanaf te weten. Het is echter wel belangrijk dat er naast de baan bij [bedrijf] , nog steeds een passende dagbesteding wordt gezocht die bij [minderjarige] (haar kwaliteiten, interesses en passies) past en dit vereist maatwerk. Juist voor de toekomst en het werken aan de aan [minderjarige] gegunde positieve toekomst waarin ze zelfstandig kan opereren is dit belangrijk en hier dient opnieuw naar worden te gekeken. Verder zal het psychologisch onderzoek nog worden afgenomen en moet er vervolgens worden bekeken welke hulpverlening er noodzakelijk is, waarna die hulpverlening ook nog ingezet moet worden en door [minderjarige] moet worden benut.
5.3.
De kinderrechter wijst daarom -onweersproken- het verzoek van de GI toe om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, maar ziet, gelet op het bovenstaande, wel aanleiding om de duur te beperken tot vier maanden en houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de hierna te melden zittingsdatum.
5.4.
De kinderrechter vindt het, gelet op de hierboven in r.o. 5.2 weergegeven onduidelijkheden en om te waarborgen dat de positieve ontwikkeling bij [minderjarige] blijft voortduren, belangrijk om vinger aan de pols te houden. De kinderrechter verwacht 2 weken voor de zitting een verslag van de GI met hierin opgenomen de stand van zaken en een standpunt over de gewenste voortgang van de procedure ten aanzien van het resterende verzoek. De belanghebbenden krijgen daarna nog de mogelijkheid om (schriftelijk) te reageren op dit verslag, indien gewenst. Verder verwacht de kinderrechter van [minderjarige] , net zoals op zitting aangegeven, dat ze zich zal blijven inzetten om de positieve groei voort te zetten, mee te werken, goed te luisteren en haar beste beentje voor te zetten.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 29 juli 2025 tot 29 november 2025;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan en roept de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de vader en zijn advocaat op voor de zitting van
6 november 2025 om 11:00 uurbij mr. Van de Kraats, de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda aan Stationslaan 10 te Breda,
6.3.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping voor de zitting;
6.4.
bepaalt dat de moeder per aparte brief dient te worden uitgenodigd voor de zitting.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025, in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid,Jeugdwett (Jw).