Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Werknemer is sinds juni 2024 arbeidsongeschikt en werkt sinds 2018 als schoonmaakster bij de werkgever. De werkgever stopte de loonbetaling over februari, maart en april 2025, omdat werknemer niet meewerkte aan re-integratie en het loon contant op kantoor moest ophalen. De werknemer vorderde betaling van het achterstallige loon, wettelijke verhoging, incassokosten, toekomstige loonbetalingen en salarisspecificaties.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever eerst een bedrijfsarts had moeten inschakelen om vast te stellen of de werknemer werkzaamheden kon verrichten. Zonder deze vaststelling mocht de loonbetaling niet worden stopgezet. Ook was er geen reden om het loon contant op kantoor te laten ophalen, terwijl de arbeidsovereenkomst en cao betaling via bankovermaking voorschrijven.
De rechtbank veroordeelde de werkgever tot betaling van €963,20 bruto achterstallig loon, een wettelijke verhoging van 50% (€481,60), buitengerechtelijke incassokosten van €216,72 en toekomstige maandelijkse loonbetalingen conform cao. Tevens werd de werkgever verplicht om salarisspecificaties te verstrekken met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten van €990,02 werden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig en toekomstig loon en verstrekking van salarisspecificaties.