Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[verzoeker 1] ,
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil en de beoordeling
3.De beslissing
woensdag 6 augustus 2025 te 10.00 uur;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak verzochten verzoekers de herroeping van een vonnis van 21 mei 2025 en erkenning van de onrechtmatigheid van een winkelverbod van 21 maart 2025. Tevens werd gevraagd om toetsing van het winkelverbod aan het discriminatieverbod, het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast werd gesteld dat het vonnis ondeugdelijk was vanwege het ontbreken van de griffier en niet-verwerkte processtukken.
De kantonrechter overweegt dat het beroep op herroeping een vordering is die volgens artikel 385 Rv Pro via een dagvaardingsprocedure moet worden ingesteld. Ook de overige verzoeken zijn vorderingen die niet via een verzoekschrift kunnen worden ingediend. Daarom wijst de kantonrechter het verzoek af en stelt verzoekers in de gelegenheid om de procedure te vervolgen via dagvaarding, met inachtneming van de wettelijke bepalingen.
De kantonrechter wijst verzoekers erop dat zij hun stellingen uit de verzoekschriftprocedure moeten opnemen in de dagvaarding en dat ongevraagde inhoudelijke aanvullingen niet zijn toegestaan. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De beschikking is gegeven door mr. Eijssen-Vruwink en op 18 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek tot herroeping vonnis afgewezen wegens onjuiste procesvorm; verzoekers krijgen gelegenheid tot dagvaarding.