ECLI:NL:RBZWB:2025:4816

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
C/02/437594 / JE RK 25-1272
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in crisissituatie

In deze zaak heeft de kinderrechter op 22 juli 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de minderjarige, geboren in 2016, bij de vader. Dit besluit volgt op een eerdere machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis die nog niet ten uitvoer was gelegd. De kinderrechter oordeelt dat er een dreigende crisissituatie is ontstaan, waardoor de uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk is. De moeder, die ook gezag heeft, heeft zich verzet tegen de uithuisplaatsing en betwist de zorgen die de gecertificeerde instelling (GI) heeft geuit over haar opvoedingssituatie. De kinderrechter heeft de feiten en omstandigheden in overweging genomen, waaronder de samenwerking tussen de GI en de moeder, en de zorgen over de veiligheid van de minderjarige in de thuissituatie bij de moeder. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder nog steeds aanwezig zijn en dat een plaatsing bij de vader, ondanks het gebrek aan contact tussen hen, momenteel het meest in het belang van de minderjarige is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk van kracht is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437594 / JE RK 25-1272
Datum uitspraak: 22 juli 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
hierna te noemen de GI,
over de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. I.A.C. Cools te Tilburg, nu mr. K. Oomen te Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het procesdossier bevat de in deze zaak gegeven beschikking van 9 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken en daarnaast de mail van de GI van 15 juli 2025 met bijlage.
1.2.
Op 16 juli 2025 heeft de kinderrechter het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Oomen;
  • de vader;
  • twee vertegenwoordigsters namens de GI.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om haar mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter te geven. [minderjarige] heeft het verzoek besproken met haar buddy van [organisatie]. De GI heeft een weergave hiervan per de hierboven vermelde e-mail overgelegd. Op verzoek van [minderjarige] is slechts een gedeelte hiervan gedeeld tijdens de mondelinge behandeling en vervolgens in deze beschikking opgenomen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Het hoofdverblijf van [minderjarige] is bij de moeder bepaald.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 november 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 15 november 2024 tot 15 november 2025.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 juni 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten in een gezinsgerichte voorziening, verleend met ingang van 12 juni 2025 tot 15 november 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 juli 2025 is met spoed, te weten zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hierover te worden gehoord, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) verleend voor de duur van twee weken, tot 23 juli 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de mondelinge behandeling op 16 juli 2025.

3.De verzoeken en de onderbouwing daarvan

3.1.
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven om voormelde spoedbeslissing van 9 juli 2025 met ingang van heden te herroepen.
3.2.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI om met spoed, te weten zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) te verlenen voor de duur van twee weken, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
Daarnaast is nog aan de orde het verzoek van de GI om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, namelijk tot 15 november 2025, en om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De GI heeft ter onderbouwing van voormelde verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
Bij voormelde beschikking van 12 juni 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis verleend (in een gezinsgerichte voorziening). Het gezinshuis dat tijdens de vorige mondelinge behandeling beschikbaar en haalbaar leek, heeft de voordracht toch afgewezen. De GI heeft vervolgens ten minste tien andere gezinshuizen benaderd voor een passende plek voor [minderjarige] maar die plek is helaas niet gevonden (voornamelijk vanwege leeftijdsverschillen in de gezinssamenstellingen). Onder andere vanwege de start van de zomervakantie, wordt de kans dat er op korte termijn alsnog een passend gezinshuis voor [minderjarige] wordt gevonden, ingeschat op nihil.
Tegelijkertijd nemen de zorgen over [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder toe. [minderjarige] heeft zorgelijke uitspraken gedaan dat zij opnieuw seksueel is misbruikt door haar halfbroer [halfbroer] . Hoewel onduidelijk is of hetgeen [minderjarige] vertelt, kan zijn gebeurd en ook daadwerkelijk is gebeurd, zijn haar uitspraken hoe dan ook zorgelijk. De moeder toont bovendien zelfbepalend gedrag en geeft onvoldoende openheid van zaken over haar vakantieplannen (zoals op welke dagen [halfbroer] thuis is) en zij heeft voor een week een vakantiehuis geboekt. Onduidelijk is hoe in die situatie kan worden voldaan aan de gestelde veiligheidsvoorwaarden (onder andere met betrekking tot cameratoezicht en deuralarmen). De moeder wil haar plannen ook niet met de GI delen. Vanwege de schoolvakantie is [minderjarige] in de komende weken overdag niet op school en zou zij dus meer aangewezen zijn op haar moeder. Daarbij komt dat de moeder, ook in aanwezigheid van [minderjarige] , haar emoties onvoldoende kan bedwingen en dat zij [minderjarige] belast met volwassenenzaken. Op 9 juli 2025 heeft de GI getracht om met de moeder hierover in gesprek te gaan maar de moeder werd verbaal agressief en was niet bereid om mee te denken. De moeder stemt ook niet in met een plaatsing van [minderjarige] bij de vader.
3.5.
Gezien de afwijzende houding en de emotionele reactie van de moeder op het voornemen van de GI om een nieuw verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in te dienen, liepen de spanningen steeds verder op waardoor er een crisissituatie dreigde te ontstaan. De GI zag zich daarom genoodzaakt om met spoed in te zetten op een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Nu een plaatsing in een gezinshuis tot nu toe niet mogelijk is gebleken, is de GI van mening dat een plaatsing van [minderjarige] bij de vader, binnen de bestaande mogelijkheden, het meest passend is. Hoewel er langere tijd geen sprake is geweest van contact tussen de vader en [minderjarige] en de samenstelling van het gezin van de vader inmiddels is veranderd, verkiest de GI een plaatsing bij de vader boven een (crisis)plaatsing op een voor [minderjarige] onbekende plek.
Om de plaatsing van [minderjarige] bij de vader zo goed als mogelijk te begeleiden, is er al ambulante spoedhulp ingezet. Op basis van de bevindingen tot nu toe, wordt gezien dat de vader en diens partner goed aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft en dat zij op haar plek zit bij hen. Voordat [minderjarige] kan starten met de noodzakelijk geachte behandeling, dient zij eerst verder tot rust te komen. De plaatsing van [minderjarige] bij de vader is vooralsnog tijdelijk van aard en de GI zal in de komende periode blijven zoeken naar een passend gezinshuis. De GI verzoekt daarom om de al verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis te laten doorlopen. Als de plaatsing van [minderjarige] bij de vader positief blijft verlopen dan kan de plaatsing van [minderjarige] bij de vader, indien mogelijk en in haar belang, worden bestendigd zodat zij niet nogmaals overgeplaatst hoeft te worden.
3.6.
De GI heeft tot slot aangegeven dat het belangrijk is om zo spoedig als mogelijk in te zetten op contact(herstel) tussen [minderjarige] en haar moeder. Dit zal in eerste instantie onder begeleiding moeten plaatsvinden. Ook dient [minderjarige] niet te worden belast met zaken, zoals een terugplaatsing bij de moeder. De samenwerking met de moeder staat echter onder druk, onder andere doordat zij een gesprek met de GI heeft gefilmd en er een afluisterapp op de telefoon van [minderjarige] is aangetroffen die de moeder daarop zou hebben gezet.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
[minderjarige] vindt het leuk, nu zij bij haar vader verblijft, dat zij nichtjes heeft met wie zij kan omgaan en dat zij bij een aantal vriendinnetjes in de buurt woont. [minderjarige] vindt het ook leuk dat haar vader een zwembad heeft die zo diep is dat zij daar niet in kan staan. Ook heeft zij bij haar vader honden, kittens en een Playstation.
4.2.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder vindt het fijn om te horen dat [minderjarige] aangeeft dat zij het naar haar zin heeft bij haar vader. Maar zij vindt het bijzonder dat de GI tijdens de vorige mondelinge behandeling heeft aangegeven dat een plaatsing van [minderjarige] bij de vader geen optie was, hetgeen nu kennelijk opeens is veranderd. De moeder maakt zich veel zorgen over de (opvoed)situatie bij de vader. Niet alleen omdat er langere tijd geen contact is geweest tussen de vader en [minderjarige] maar ook omdat hij kampt met persoonlijke (alcohol)problematiek, hij regelmatig ruzie heeft met zijn huidige partner, er in huis een gebrek is aan eten en drinken en hij financiële problemen heeft. De moeder stelt in dat verband dat zij informatie heeft dat de vader de voormalige echtelijke woning per 2 oktober 2025 moet verlaten vanwege achterstallige betalingen en dat er een beslag is gelegd op zijn bankrekening. De moeder vindt het ook bijzonder dat de GI tijdens de vorige mondelinge behandeling heeft aangegeven dat er een passende plek in een gezinshuis op het oog is maar dat deze plek slechts een dag later toch niet beschikbaar was.
De moeder stelt daarnaast dat zij bepaalde zaken niet met [minderjarige] mocht bespreken zo lang daar nog onduidelijkheid over bestond maar dat de GI tegelijkertijd wel allerlei zaken met [minderjarige] en anderen heeft besproken, zoals de mogelijke plaatsing in een gezinshuis en vervolgens de voorgenomen spoedplaatsing van [minderjarige] bij de vader. Dit terwijl de moeder naar eigen zeggen altijd heeft meegewerkt met de GI en met de hulpverlening. De moeder heeft dan ook het gevoel dat de GI een verkeerd beeld van haar schetst. De moeder voelt zich onveilig en ongehoord en zij twijfelt over de vermeende onpartijdigheid van de GI. Bovendien betwist de moeder de gestelde zorgen over de fysieke en/of de sociaal-emotionele veiligheid van [minderjarige] bij haar thuis.
Gelet op het voorgaande stelt de moeder zich primair op het standpunt dat een spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] niet nodig is geweest en dat [minderjarige] per direct bij haar kan en dient te worden teruggeplaatst. De moeder verzoekt subsidiair om het verzoek toe te wijzen voor de duur van maximaal vier weken onder de aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
4.3.
De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
Ondanks dat de vader en [minderjarige] gedurende 20 maanden geen contact met elkaar hebben gehad en [minderjarige] aan het begin even moest wennen, gaat het inmiddels naar omstandigheden goed met haar. Zij eet en slaapt goed en zij zit op haar plek in het gezin. [minderjarige] zal gewoon naar haar eigen school toe blijven gaan. Indien mogelijk zal er daarvoor taxivervoer worden ingezet. Maar zo lang als dat nodig is, kan en zal de vader haar naar school toe brengen en haar daar weer ophalen. [minderjarige] kan, indien nodig, langer in het gezin verblijven. Over de voormalige echtelijke woning heeft de vader aangegeven dat deze momenteel te koop staat. Zolang de woning niet is verkocht, gaat de vader ervan uit dat hij daar kan blijven wonen. Overigens heeft hij betalingsregelingen getroffen om de ontstane betalingsachterstanden weg te nemen. Afgezien daarvan hebben de vader en diens partner inmiddels een andere woning gekocht in de omgeving van [plaats 2] , dichtbij de school van [minderjarige] . Die woning is al beschikbaar, dus [minderjarige] zal niet op straat komen te staan. De vader betwist tot slot de beschuldigingen van de moeder over zijn persoonlijke situatie en omstandigheden.

5.De nadere beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Spoedbeslissing tot uithuisplaatsing
5.2.
De kinderrechter verwijst naar de inhoud van voormelde beschikking van 9 juli 2025. Hierbij is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval de vader, verleend voor de duur van twee weken. Het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden. Deze beslissing is gegeven zonder dat de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening daarover te geven. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de belanghebbenden daartoe in de gelegenheid gesteld. Naar aanleiding daarvan is, naar het oordeel van de kinderrechter, niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de spoedbeslissing van 9 juli 2025 met ingang van heden zou moeten worden herroepen. De kinderrechter laat deze spoedbeslissing dus in stand.
5.3.
Omdat de kinderrechter hierna zal beslissen op het verzoek van de GI om een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen, heeft de GI geen belang meer bij haar restantverzoek om met spoed, te weten zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) te verlenen voor de duur van twee weken. De kinderrechter zal dit restantverzoek daarom afwijzen.
(Aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
De kinderrechter is voorts van oordeel dat wordt voldaan aan voormelde wettelijke vereisten om een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) te verlenen en overweegt daartoe als volgt.
5.5.
De kinderrechter verwijst naar de inhoud van voormelde beschikking van 12 juni 2025. Hierbij is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (een gezinsgerichte voorziening) verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, in dit geval tot 15 november 2025. In die beschikking is uitvoerig overwogen dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Namelijk dat de opvoedsituatie bij de moeder onvoldoende veilig en stabiel wordt geacht voor [minderjarige] om tot ontwikkeling te kunnen komen, met als gevolg dat diagnostiek en behandeling vanuit de thuissituatie niet mogelijk is. Plaatsing in een gezinshuis wordt als meest passend gezien omdat vanuit hier een gezinsgerichte omgeving professionele begeleiding kan worden geboden en er van daaruit (nadere) diagnostiek kan plaatsvinden.
5.6.
Uit de overgelegde stukken en uit wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de GI na afloop van de vorige mondelinge behandeling alles op alles heeft gezet om voor [minderjarige] een passende plek in een gezinshuis te vinden maar dat dit tot op heden niet is gelukt. Het gezinshuis waar kennelijk zicht was als een passende plek voor [minderjarige] , kan [minderjarige] toch niet opnemen. Daarnaast heeft de GI ten minste tien andere gezinshuizen benaderd maar daar kan [minderjarige] (op korte termijn) ook niet terecht.
Met het oog op de start van de zomervakantie bestaat ook niet de gerechtvaardigde verwachting dat er binnen een afzienbare termijn alsnog een passende plek voor [minderjarige] wordt gevonden in een gezinshuis. Voormelde machtiging tot uithuisplaatsing die ziet op een plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis is dan ook nog niet gebruikt. De kinderrechter overweegt dat de zorgen die hebben geleid tot het verlenen van voormelde machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat deze zorgen inmiddels dermate zijn toegenomen, dat er een crisissituatie dreigde te ontstaan. Gebleken is namelijk dat er sprake is van een moeizame samenwerking tussen de GI en de moeder. De moeder geeft onvoldoende openheid van zaken (bijvoorbeeld ten aanzien van het verblijf van [halfbroer] in het gezin) en met betrekking tot haar vakantieplannen, waarbij het daardoor onduidelijk is of en zo ja, op welke manier de gestelde veiligheidsvoorwaarden kunnen worden nageleefd. Daarbij komt dat [minderjarige] momenteel zomervakantie heeft, waardoor zij doordeweeks niet naar school gaat en zij dus meer tijd doorbrengt in de thuissituatie. Gelet hierop is het, naar het oordeel van de kinderrechter, op dit moment onvoldoende veilig en dus onverantwoord om [minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder. Dit maakt dat een uithuisplaatsing nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is.
5.7.
Nu een passende plaats in een gezinshuis niet beschikbaar is voor [minderjarige] , volgt de kinderrechter de GI in haar standpunt dat het, binnen de bestaande mogelijkheden, het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht dat zij voorlopig bij haar vader wordt geplaatst. Ondanks dat zij geruime tijd geen contact met elkaar hebben gehad en [minderjarige] begrijpelijkerwijs even heeft moeten wennen, lijkt het nu onder omstandigheden goed met haar te gaan. De vader en diens partner zijn ook bereid en beschikbaar om [minderjarige] in ieder geval in de komende periode op te vangen. Met het oog op de jonge leeftijd van [minderjarige] en alles wat zij heeft meegemaakt, acht de kinderrechter een plaatsing van [minderjarige] bij de vader beter dan een plaatsing in een neutraal pleeggezin of op een open groep. Hetgeen door en namens de moeder is aangevoerd, doet hier niet aan af. Gebleken is dat er, in ieder geval in de beginperiode, dagelijks betrokkenheid is vanuit ambulante spoedhulp en/of deGII en dat zij de gestelde zorgen over de persoonlijke problematiek en situatie van de vader niet delen. De vader heeft bovendien aangegeven dat zijn woonsituatie niet in gevaar komt en dat hij [minderjarige] r kan blijven opvangen. Afgezien van het verdere verloop van de afwikkeling van de voormalige echtelijke woning en ongeacht de vraag of de vader die woning op korte termijn al dan niet zal moeten verlaten, heeft hij namelijk aangegeven dat hij samen met zijn partner de beschikking heeft over een andere woning in de omgeving van [plaats 2] u. Deze woning zouden zij, indien nodig, per direct kunnen bewonen. Ook zorgt de vader ervoor dat [minderjarige] r - na de zomervakantie - naar haar vertrouwde school kan blijven gaan en dat de vader haar zal halen en brengen.
5.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing zal verlenen die ziet op het verblijf van [minderjarige] bij haar vader voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling, te weten tot 15 november 2025. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de machtiging te verlenen voor een kortere duur, zoals subsidiair door en namens de moeder is aangevoerd, omdat zij de gestelde zorgen over de (opvoed)situatie van de vader niet deelt. De kinderrechter gaat er ook vanuit dat de GI en de betrokken hulpverlening het verblijf van [minderjarige] bij de vader goed zullen blijven opvolgen. Ook blijft de buddy vanuit [organisatie] betrokken bij [minderjarige] . Bovendien acht de kinderrechter het van belang dat het voor [minderjarige] duidelijk is dat zij in ieder geval in de komende periode bij haar vader kan blijven wonen. Daarbij zal de GI aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat moment te zijner tijd bezien of een plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis nog steeds het meest in haar belang wordt geacht of dat een voortzetting van haar verblijf bij de vader dient te worden voortgezet. In de tussentijd acht de kinderrechter het van belang dat de GI blijft inzetten op contact(herstel) tussen [minderjarige] en haar moeder (en [halfbroer] ).
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
Het naast elkaar bestaan van twee achtereenvolgende machtigingen tot uithuisplaatsing
5.10.
Omdat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader vooralsnog tijdelijk van aard lijkt te zijn en de GI zal blijven zoeken naar een passende plaats voor [minderjarige] in een gezinshuis, acht de kinderrechter het van belang dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] die ziet op de plaatsing bij de vader niet in de plaats treedt van de eerder verleende machtiging die ziet op een plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 6 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2004:AN8908), in rechtsoverweging 3.4 overwogen, voor zover hier van belang, dat het naast elkaar bestaan van twee achtereenvolgende machtigingen tot uithuisplaatsing, niet in strijd is met de wet. De rechter moet in dat geval in de tweede beschikking uitdrukkelijk vermelden of deze machtiging de eerdere machtiging aanvult, wijzigt, dan wel geheel vervangt.
5.11.
De kinderrechter overweegt daarom hierbij uitdrukkelijk dat deze machtiging tot uithuisplaatsing die ziet op de plaatsing van [minderjarige] bij haar vader de eerder bij voormelde beschikking van 12 juni 2025 verleende machtiging, die ziet op een plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis niet vervangt. De kinderrechter overweegt hierbij ten overvloede, dat op grond van artikel 1:265c, derde lid BW een machtiging vervalt als deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) met ingang van 23 juli 2025 tot 15 november 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.