In deze zaak heeft de kinderrechter op 22 juli 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de minderjarige, geboren in 2016, bij de vader. Dit besluit volgt op een eerdere machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis die nog niet ten uitvoer was gelegd. De kinderrechter oordeelt dat er een dreigende crisissituatie is ontstaan, waardoor de uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk is. De moeder, die ook gezag heeft, heeft zich verzet tegen de uithuisplaatsing en betwist de zorgen die de gecertificeerde instelling (GI) heeft geuit over haar opvoedingssituatie. De kinderrechter heeft de feiten en omstandigheden in overweging genomen, waaronder de samenwerking tussen de GI en de moeder, en de zorgen over de veiligheid van de minderjarige in de thuissituatie bij de moeder. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder nog steeds aanwezig zijn en dat een plaatsing bij de vader, ondanks het gebrek aan contact tussen hen, momenteel het meest in het belang van de minderjarige is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk van kracht is.