ECLI:NL:RBZWB:2025:4863

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/02/436243 / JE RK 25/1022
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en aanhouding machtiging tot uithuisplaatsing in een complexe gezinszaak met Oekraïense minderjarigen

Op 24 juli 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, geboren in Oekraïne, en de aanhouding van een verzoek tot uithuisplaatsing. De minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], verblijven met hun moeder in een opvang voor Oekraïense vluchtelingen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, met name op het gebied van hun cognitie en sociaal-emotionele ontwikkeling. De moeder heeft moeite om in de basisbehoeften van de kinderen te voorzien en er zijn zorgen over haar psychische gesteldheid. De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd voor vijf maanden, tot 7 januari 2026, en het verzoek tot uithuisplaatsing aangehouden, omdat er onvoldoende duidelijkheid is over de inzet van het netwerk en de mogelijkheden voor een Ouder-Kindtraject. De kinderrechter heeft de GI opgedragen om de voortgang van de ondertoezichtstelling te monitoren en de moeder te ondersteunen in haar samenwerking met de hulpverlening. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436243 / JE RK 25/1022
Datum uitspraak: 24 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
locatie Eindhoven, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarigen:
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Huseinovic te Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 juni 2025;
- de pleitaantekeningen van mr. Huseinovic, overhandigd tijdens de mondelinge behandeling;
- de e-mailberichten van opa en tante (moederzijde), overhandigd tijdens de mondelinge behandeling door mr. Huseinovic.
1.2
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Russische taal;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is er namens de Raad geen vertegenwoordiger verschenen.
1.4
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hiervan heeft alleen [minderjarige 1] gebruik gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna
gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
2.2
De minderjarigen wonen bij de moeder. Zij verblijven in een opvang voor Oekraïense vluchtelingen. Onweersproken staat vast dat ook opa en een tante en nichtje (moederzijde) in dezelfde opvang verblijven.
2.3
De minderjarigen en de moeder hebben de Oekraïense nationaliteit.
2.4
Over de vader(s) van de minderjarigen zijn geen gegevens bekend.
2.5
Bij beschikking van 7 augustus 2024 heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 7 augustus 2024 tot 7 augustus 2025.

3.De verzoeken

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2
Tevens verzoekt de GI om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin voor de duur van acht maanden.
3.3
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Bij de minderjarigen is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging op het gebied van hun cognitie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Zij hebben veel meegemaakt door de oorlog in Oekraïne en de vlucht naar Nederland. In de afgelopen periode zijn de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet behaald. Het lukt de moeder niet om voldoende te voorzien in de basisbehoeften van de minderjarigen. Zij leven samen in een onhygiënische, extreem rommelige en overvolle kamer in de vluchtelingenopvang. Daarnaast krijgen de minderjarigen onvoldoende basale verzorging aangeboden door de moeder. Zo gebeurt het tandenpoetsen één keer per dag, hebben de minderjarigen geen vaste dagstructuur, wordt er niet adequaat gegeten en liggen de minderjarigen vaak in bed. Verder wordt gezien dat het de moeder nauwelijks lukt om gesprekken met de minderjarigen te voeren die passen bij hun leeftijd, negeert zij hen bij negatief gedrag en is er sprake van veel schoolverzuim. Geen van de minderjarigen nemen deel aan activiteiten die door school of de opvang worden georganiseerd. Het lukt de moeder niet om contact te onderhouden met school en om [minderjarige 2] zelfstandig naar school te brengen.
4.2
De moeder erkent de zorgen van de GI en de problemen die er zijn niet. Vermoedelijk is er bij de moeder sprake van een licht verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek of trauma. Zij is instabiel en heeft een beperkte zelfreflectie. Voor een persoonlijkheidsonderzoek om de persoonlijke problematiek van de moeder nader in kaart te brengen, staat zij niet open.
4.3
De GI had de bedoeling om voor het gezin een Ouder-Kindtraject in te zetten bij [jeugdzorg] . Echter, de huidige situatie in het gezin wordt daarvoor niet passend geacht. Zo worden de voorwaarden gesteld dat er perspectief voor de minderjarigen in Nederland moet zijn, er geen sprake mag zijn van een machtiging tot uithuisplaatsing en de moeder meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek. De GI is van mening dat [jeugdzorg] dit gezin moet helpen. Volgende week krijgt de GI hierover uitsluitsel. Een aanmelding bij [observatieafdeling] is afgewezen.
4.4
Onder de huidige omstandigheden kunnen de minderjarigen niet bij de moeder wonen. Ter overbrugging, tot het Ouder-Kindtraject start, is een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin nodig. De bedoeling daarbij is om de minderjarigen gezamenlijk in een pleeggezin onder te brengen. Op dit moment is er geen passend pleeggezin beschikbaar. Onderzocht is of opa of tante (mz) een oplossing kunnen bieden, maar zij hebben ieder hun eigen problemen. Zo zijn opa en tante gevraagd om [minderjarige 3] op tijd klaar te hebben voor school en om [minderjarige 2] naar school te brengen, echter zagen zij daarvoor geen mogelijkheden. Bovendien, wanneer de minderjarigen bij opa of tante verblijven, dan vermoedt de GI dat de moeder alsnog voor de minderjarigen zorgt.

5.Het standpunt van de moeder

5.1
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij het niet eens is met het verzoek van de GI. Bij de moeder is sprake van veel onwetendheid. Zij kende de beschikking van 7 augustus 2024 en de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet. Zij had eerder geen advocaat en er speelt een taalbarrière. Dit maakt dat de ondertoezichtstelling moeizaam verloopt.
5.2
In december 2024 is hulpverlening van [hulpverlener] van start gegaan. De moeder accepteert deze hulpverlening en staat open voor verandering. Dat er bepaalde zorgen zijn, erkent zij ook. Echter, omdat de moeder niet weet waar zij aan toe is, trekt zij zich terug. Zij wil haar kinderen beschermen. Daarnaast moet niet worden vergeten dat de moeder met de minderjarigen vanuit Oekraïne is gevlucht. Zij verblijft nu bij de opvang op één kamer, met drie kinderen. Al haar bezittingen staan in die ene kamer. Zij heeft voor haar spullen geen andere opslag. Dit maakt dat het rommelig kan overkomen.
5.3
De moeder is akkoord met een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden. De resterende verzochte periode kan worden aangehouden voor een nader toetsmoment. Zij wil de kans krijgen om binnen de ondertoezichtstelling met hulpverlening te gaan werken aan de gestelde doelen.
5.4
Een machtiging tot uithuisplaatsing acht de moeder te verstrekkend en niet in het belang van de minderjarigen. Wanneer zij in een pleeggezin zouden worden geplaats is er een taalbarrière en is er sprake van een cultuurverschil. Het zal daardoor lastig zijn voor de minderjarigen om te wennen en aan hun oorlogstrauma te werken. Bovendien heeft de GI niet voldoende onderzocht of opa en tante (moederzijde) de moeder kunnen ondersteunen. De opa en tante hebben een verklaring op schrift gesteld waarin zij aangeven te kunnen en willen helpen. Op dit moment slaapt [minderjarige 1] al bij de opa. Dat gaat goed. De opa kan ook voor [minderjarige 3] zorgen. De tante kan helpen met [minderjarige 2] . Op die manier kunnen de minderjarigen naar school en ook activiteiten volgen. Waar de GI de bedoeling heeft om het gezin aan te melden voor een Ouder-Kindtraject, weet de moeder niet waar dit voor bedoeld is. Bij de mondelinge behandeling wordt duidelijk dat er over deze aanmelding nog veel onduidelijkheden zijn. Gelet op het voormelde dient het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te worden afgewezen.

6.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
6.1
De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de minderjarigen de Oekraïens nationaliteit hebben. Dit brengt met zich mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, zodat de kinderrechter moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Als dit het geval is, dient zij zich bevoegd te verklaren en het toepasselijk recht te bepalen.
6.2
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is gelegen, is de
Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek. Op dezelfde
grond zal de kinderrechter het Nederlandse recht toepassen.
Verlenging ondertoezichtstelling
6.3
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.4
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
6.5
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de
ontwikkeling van de minderjarigen nog steeds ernstig wordt bedreigd. Specifiek is bij de minderjarigen sprake van een ontwikkelingsbedreiging op het gebied van cognitie en in het kader van hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderrechter neemt daarbij onder andere in aanmerking dat er op meerdere gebieden onverminderd grote zorgen bestaan, zoals over veiligheid, basale verzorging en hygiëne, schoolverzuim, emotionele beschikbaarheid van de moeder en persoonlijke problematiek van de moeder en de minderjarigen.
6.6
Gebleken is tevens dat de moeder de zorgen die er zijn onvoldoende erkent. Zo zegt zij open te staan voor hulpverlening en te willen veranderen, maar is zij daarin ook ambivalent. Er zijn zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Het ondergaan van een persoonlijkheidsonderzoek wordt raadzaam en helpend geacht, echter de moeder werkt hieraan niet mee. Ook stelt de moeder zich wantrouwend op richting de hulpverlening. Dit brengt met zich dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Regievoering van de GI blijft noodzakelijk om de ingezette hulpverlening te waarborgen en te bezien of er daadwerkelijk vooruitgang wordt geboekt op de gebieden waarover grote zorgen bestaan. De moeder heeft hierin steun nodig, omdat zij het alleen niet kan overzien. De taalbarrière, een verschil in cultuur, maar ook haar persoonlijke problematiek spelen hierin een rol. Daarnaast blijft het monitoren van de schoolgang noodzakelijk, zodat de minderjarigen niet verder op achterstand raken.
6.7
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig en zal worden verlengd voor de duur van vijf maanden, te weten tot 7 januari 2026. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden, zoals hierna in rechtsoverweging 6.13 vermeld.
6.8
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de moeder naar voren gebracht dat de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen voor haar niet duidelijk zijn. De GI wordt verzocht daarvoor aandacht te hebben. Voor de moeder moet duidelijk zijn wat van haar verwacht mag worden en welke stappen zij moet zetten bij de verwezenlijking van die doelen. Daarvoor is het nodig dat de GI aansluit bij de mogelijkheden van de moeder voor wat betreft taal en begrip.
6.9
Waar de kinderrechter aandacht van de GI vraagt, mag anderzijds van de moeder worden verwacht dat zij gegeven adviezen zal opvolgen. Tijdens de mondelinge behandeling zegt de moeder hulpverlening te accepteren en open te staan voor verandering. In dit kader wijst de kinderrechter de moeder op het belang van het ondergaan van een persoonlijkheidsonderzoek. Om beter in beeld te krijgen van welke problematiek sprake is, dan wel uit te sluiten dat er problematiek is (zoals de moeder stelt) mag deelname aan het persoonlijkheidsonderzoek van de moeder worden verlangd. Duidelijk is dat de moeder geen vertrouwen heeft in de psycholoog die verbonden is aan de opvang, maar er zijn ook andere opties voor een dergelijk onderzoek, buiten de opvang gelegen.
Machtiging tot uithuisplaatsing
6.1
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.11
De kinderrechter volgt de moeder in haar standpunt dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment een te verstrekkende maatregel is. Bovendien, zo blijkt uit de mondelinge behandeling, beoogt de GI de machtiging in te zetten als ‘tussenfase’ voor een opname van het gezin bij een Ouder-Kindtraject van [jeugdzorg] , terwijl daarover nog geen duidelijkheid bestaat. Gebleken is dat [jeugdzorg] voorwaarden stelt waaraan het gezin niet voldoet. Dit maakt dat het onvoldoende duidelijk is of het Ouder-Kindtraject daadwerkelijk gaat starten. Daar komt nog bij dat onvoldoende is gebleken of er genoeg onderzoek is gedaan naar het inschakelen van het netwerk. Waar de GI stelt dat de opa en de tante (moederszijde) niet kunnen helpen, verklaren de opa en de tante daarover zelf anders. Bij de mondelinge behandeling is het de kinderrechter onvoldoende helder geworden waarom de GI niet kiest voor een oplossing binnen het netwerk. Hierover is niets gedocumenteerd. Tevens heeft de GI verklaard dat er momenteel geen pleeggezin beschikbaar is en is onduidelijk of en in hoeverre de GI met het kiezen van een pleeggezin rekening houdt met de taalbarrière, de cultuur en het oorlogstrauma van de minderjarigen. Duidelijk is wel dat erg moeilijk zal zijn om een pleeggezin te vinden waar al deze aspecten gewaarborgd zijn én waar de minderjarigen samen zouden kunnen worden geplaatst.
6.12
Het voormelde maakt dat de kinderrechter op dit moment onvoldoende is geïnformeerd om over het verzoek een beslissing te nemen. Onduidelijk is of er minder verstrekkende oplossingen zijn die éérst ingezet kunnen en moeten worden, alvorens er een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. Een machtiging tot uithuisplaatsing moet immers worden beschouwd als een
ultimum remedium. Omdat de kinderrechter zich voor nu onvoldoende voorgelicht acht om op het verzoek te beslissen, zal zij het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aanhouden. De kinderrechter zal het verzoek niet direct afwijzen, nu zij ook ziet dat er sprake is van grote zorgen en complexe problematiek. Gelet op de verklaringen van de opa en de tante ziet de kinderrechter de volgende situatie als een mogelijkheid:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 3] slapen bij de opa. De opa zorgt ervoor dat de persoonlijke verzorging en voeding van de jongens in orde is en dat zij op tijd klaar zijn om naar school te gaan.
- [minderjarige 2] slaapt bij de tante. De tante zorgt ervoor dat de persoonlijke verzorging en voeding van [minderjarige 2] in orde is en dat zij op tijd klaar is om naar school te gaan.
De moeder wordt hiermee ontlast en is in de gelegenheid om haar eigen leefomgeving op orde te krijgen.
Duur ondertoezichtstelling en verdere voortgang
6.13
Om op korte termijn de voortgang van de ondertoezichtstelling te kunnen monitoren, mede gelet op de onduidelijkheid over de inzet van een Ouder-Kindtraject en de mogelijkheid om het netwerk meer te betrekken, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van vijf maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen zal de kinderrechter in zijn geheel aanhouden. De kinderrechter bepaalt de nieuwe mondelinge behandeling op
[datum] 2026 om [uur], welke datum tot stand is gekomen in overleg met de advocaat van de moeder. De GI dient de kinderrechter
uiterlijk twee weken voorafgaand aan voormelde zittingsdatumschriftelijk, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de moeder, te informeren over:
- het verloop van de ondertoezichtstelling;
- de stand van zaken ten aanzien van de aanmelding bij het Ouder-Kindtraject;
- de (on)mogelijkheden van de inzet van het netwerk;
- de samenwerking van de moeder met de hulpverlening en of zij een persoonlijkheidsonderzoek heeft ondergaan;
- de beschikbaarheid van een passend pleeggezin;
- andere belangrijke ontwikkelingen in deze zaak;
- het standpunt over het resterende deel van de verzoeken.
6.14
De kinderrechter acht het voorts met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarigen noodzakelijk dat het advies van de Raad wordt ingewonnen en zal daartoe bepalen dat de Raad zal worden opgeroepen voor de nieuwe mondelinge behandeling. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen niet opnieuw worden uitgenodigd voor een kindgesprek. Daarnaast verwacht de kinderrechter dat
de GIzal zorgdragen voor de fysieke aanwezigheid van een tolk in de Russische taal, die de moeder tijdens de mondelinge behandeling kan bijstaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.15
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , met ingang van 7 augustus 2025 tot 7 januari 2026;
7.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3
houdt het overige gedeelte van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin aan tot de mondelinge behandeling – met gesloten deuren – van
[datum] 2026 te [uur]bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Phillips), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.13;
7.4
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de moeder en haar advocaat, de GI en de Raad;
7.5
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2025 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.