Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De verzoeken
4.Het standpunt van de GI
5.Het standpunt van de moeder
6.De beoordeling
ultimum remedium. Omdat de kinderrechter zich voor nu onvoldoende voorgelicht acht om op het verzoek te beslissen, zal zij het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aanhouden. De kinderrechter zal het verzoek niet direct afwijzen, nu zij ook ziet dat er sprake is van grote zorgen en complexe problematiek. Gelet op de verklaringen van de opa en de tante ziet de kinderrechter de volgende situatie als een mogelijkheid:
[datum] 2026 om [uur], welke datum tot stand is gekomen in overleg met de advocaat van de moeder. De GI dient de kinderrechter
uiterlijk twee weken voorafgaand aan voormelde zittingsdatumschriftelijk, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de moeder, te informeren over:
de GIzal zorgdragen voor de fysieke aanwezigheid van een tolk in de Russische taal, die de moeder tijdens de mondelinge behandeling kan bijstaan.
7.De beslissing
[datum] 2026 te [uur]bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Phillips), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.13;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.