ECLI:NL:RBZWB:2025:4864

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/02/433077 / FA RK 25-1359
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • M. Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek eenhoofdig gezag en bewijs inschrijving echtscheiding

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot eenhoofdig gezag over twee minderjarigen, ingediend door de vrouw. De vrouw verzoekt om het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan haar toe te wijzen. De man, die de Nigeriaanse nationaliteit heeft en zonder bekende woon- of verblijfplaats is, is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank kan echter geen beslissing nemen op het verzoek, omdat er nog geen bewijs is van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft de rechtbank verzocht om haar de gelegenheid te geven dit bewijs te overleggen. De rechtbank heeft de zaak aangehouden tot een pro forma datum, waarbij de vrouw de bevestiging van de inschrijving van de echtscheiding moet overleggen. De rechtbank heeft de intentie om de zaak schriftelijk af te doen, maar behoudt zich het recht voor om verdere beslissingen te nemen indien nodig. De minderjarigen zijn tijdens een kindgesprek in de gelegenheid gesteld om hun mening te geven, en de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om mogelijk een raadsonderzoek te gelasten, hoewel dit lastig kan zijn gezien de situatie van de man.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/433077 / FA RK 25-1359
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze,
tegen
[de man],
hierna: de man,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna: [minderjarige 1],
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 11 maart 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 19 maart 2025 van mr. Van Kerkhof;
- de oproep van de man voor de mondelinge behandeling door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 31 maart 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van 1 april 2025 van mr. Van Kerkhof;
- het F9-formulier met bijlage van 11 april 2025 van mr. Van Kerkhof.
1.2
Het verzoek is besproken op de mondelinge behandeling van 2 juli 2025. Bij die behandeling is verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. D. Boudrad als waarnemend advocaat voor mr. Van Kerkhof. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de man niet verschenen.
1.4
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hiervan hebben zij gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2012. Bij beschikking van deze rechtbank van 28 februari 2025 is de echtscheiding uitgesproken. Onbekend is of deze beschikking is ingeschreven in de daarvoor bedoelde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren, hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen
2.4
Bij voormelde echtscheidingsbeschikking van 28 februari 2025 heeft de rechtbank beslist dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw.
2.5
De man heeft de Nigeriaanse nationaliteit, de vrouw de Nederlandse.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man belast zal zijn met het eenhoofdig ouderlijk gezag.
3.2
De man is niet verschenen in de procedure en heeft dan ook geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.

4.De standpunten en het advies van de Raad

4.1
Aan haar verzoek legt de vrouw het volgende ten grondslag. Partijen hebben elkaar in Italië leren kennen en zijn daar ook getrouwd. De man is als vluchteling in Italië terechtgekomen. Hij beloofde de vrouw altijd om naar Nederland te komen. Jarenlang heeft hij volgehouden dat het niet de tijd was om naar Nederland te komen. Het is de vrouw altijd onduidelijk gebleven waarom de man Italië niet wilde verlaten. Wel heeft de man de vrouw en de minderjarigen incidenteel in Nederland bezocht. Het contact tussen partijen is verwaterd geraakt. Ook belde de man de minderjarigen steeds minder op. Momenteel belt hij af en toe met de minderjarigen. De laatste keer was anderhalf jaar geleden. De vrouw beschikt niet over een telefoonnummer van de man. Hij wisselt vaak van telefoonnummer. Over een e-mailadres beschikt de vrouw ook niet. De vrouw weet niet waar de man verblijft. De vrouw voert feitelijk al lang alleen het gezag uit. Het is een wonder dat dit niet eerder tot problemen heeft geleid. De vrouw wil problemen in de toekomst voorkomen. Er bestaat een risico dat beslissingen niet snel genomen kunnen worden, terwijl er geen reden is om aan te nemen dat de man in de toekomst het gezag wil vervullen. Daar komt bij dat hij geen zicht heeft op het welzijn van de minderjarigen en waar zij mee bezig zijn. Eenhoofdig gezag past bij de situatie zoals deze feitelijk is. Wat voor de vrouw bovendien een grote rol speelt is dat haar eigen medische situatie maakt dat zij bepaalde zaken voor de minderjarigen wil kunnen laten regelen wanneer zij dat zelf niet meer zou kunnen doen. Wanneer de vrouw nu iets overkomt, zou de man de eerst aangewezen persoon zijn om de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen, omdat hij gezag heeft. Dit moet voorkomen worden, omdat de minderjarigen niet op de man kunnen bouwen en onbekend is waar zij dan terecht komen.
4.2
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De rechtbank kan overwegen om een raadsonderzoek te gelasten om te bezien wat de beweegredenen van de man zijn om uit contact te treden. Dit kan de minderjarigen mogelijk meer context geven. Echter, in dit geval zal het verrichten van een onderzoek lastig zijn. Naar verwachting is het moeilijk om met de man in contact te treden, omdat hij mogelijk in Nigeria verblijft. Of een onderzoek nodig is, laat de Raad ter beoordeling over aan de rechtbank. Voor nu onderschrijft de Raad de stelling van de vrouw; de man heeft rechten, maar ook plichten. Echter, op dit moment neemt hij geen verantwoordelijkheid voor de minderjarigen.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
Omdat de man de Nigeriaanse nationaliteit bezit, heeft het verzoek een internationaal karakter en moet de rechtbank nagaan of zij bevoegd is om over deze zaak te oordelen.
5.2
Het verzoek gaat om een geschil over het gezag en valt daarom binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening Brussel II-ter. Volgens artikel 7, lid 1 van deze verordening zijn in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3
Omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
5.4
Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is verder Nederlands recht toepasselijk op het verzoek.
Gezag
5.5
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarigen krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.6
Uit voormeld artikel volgt kortgezegd dat een of beide ouders kunnen verzoeken het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan een van hen toe te wijzen, waarbij het in dit geval gaat om beëindiging van gezamenlijk gezag dat van rechtswege
na scheidingblijft bestaan (art. 1:251 lid 2 BW).
5.7
De rechtbank heeft kennisgenomen van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 28 februari 2025. Echter, de bevestiging van de inschrijving van die echtscheidingsbeschikking is niet overgelegd. In het verzoekschrift staat bovendien dat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de daartoe bestemde registers, gelet op de appeltermijn. Ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat die inschrijving nog niet heeft plaatsgevonden. Er is wel een akte van non-appel opgevraagd, maar niet overgelegd. Bovendien zou dit ook onvoldoende zijn.
5.8
Het voorgaande betekent dat niet bekend is of en zo ja, wanneer partijen officieel zijn gescheiden. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek (nog) niet inhoudelijk kan behandelen. Immers, de situatie voldoet niet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1:253n BW.
5.9
Ten overvloede: partijen zijn gescheiden op het moment dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente waar zij zijn getrouwd. Wanneer partijen in het buitenland zijn gehuwd, hetgeen hier het geval is, gelden er andere regels. De echtscheidingsbeschikking moet worden ingeschreven bij de gemeente Den Haag, omdat het huwelijk in het buitenland is gesloten.
5.1
De rechtbank geeft de vrouw de gelegenheid om de bevestiging van deze inschrijving alsnog te overleggen. De zaak zal worden aangehouden tot een pro forma datum. Daarna zal de rechtbank de zaak verder inhoudelijk behandelen, waarbij zij zich iedere verdere beslissing voorbehoud. De intentie is echter om de zaak schriftelijk af te doen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
houdt de behandeling van deze zaak aan tot
dinsdag 26 augustus 2025 PRO FORMAin afwachting van bericht van de advocaat van de vrouw, zoals in rechtsoverweging 5.10 is weergegeven;
6.2
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.