ECLI:NL:RBZWB:2025:4865

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/02/432398 / FA RK 25-1014
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • M. Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om eenhoofdig gezag over minderjarigen met aanhouding voor raadsonderzoek

In deze zaak verzoekt de vrouw om eenhoofdig gezag over haar minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De rechtbank heeft op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure. De man is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De vrouw stelt dat de man geen contact meer heeft met de kinderen en dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem komen te zitten tussen de ouders. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om een raadsonderzoek te gelasten om meer inzicht te krijgen in de situatie. De rechtbank is van oordeel dat de beschikbare informatie ontoereikend is om een gefundeerde beslissing te nemen en heeft het verzoek aangehouden voor de duur van negen maanden, in afwachting van het rapport van de Raad. De rechtbank verzoekt de Raad om onderzoek te doen naar de situatie van de kinderen en de rol van de man, en om advies uit te brengen. De beslissing is openbaar uitgesproken door kinderrechter M. Meyboom.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/432398 / FA RK 25-1014
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,
tegen
[de man],
hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018 (hierna: [minderjarige 1] );
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020 (hierna: [minderjarige 2] ).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 17 februari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de oproep van de man door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 1 april 2025.
1.2
Op 2 juli 2025 is het verzoek behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
Als toehoorder was een medewerker van de rechtbank aanwezig. De rechtbank
heeft hem, met instemming van aanwezigen, bijzondere toestemming verleend.
1.4
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de man niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn op [datum 1] 2019 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2024 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 16 juli 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Voor het huwelijk van partijen is [minderjarige 1] geboren. De man heeft [minderjarige 1] erkend.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige 2] geboren. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3
Bij voormelde echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024 heeft de rechtbank beslist dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw. Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar, met dien verstande dat voor de invulling van die contacten de adviezen van de bij de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrokken hulpverlenende instantie over de vorm, de duur, de tijd, de plaats en de frequentie van de contactmomenten moeten worden opgevolgd.
2.4
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan alleen toekomt aan haar dan wel haar met het eenoudergezag te belasten.
3.2
De man is niet verschenen in de procedure en heeft dus geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.

4.De standpunten en het advies van de Raad

4.1
De vrouw voert het volgende aan. De vrouw kan niet samen met de man beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nemen. Zij kan niet met de man overleggen omdat zij niet weet waar hij feitelijk verblijft. Ook heeft zij al tweemaal aan de rechtbank vervangende toestemming moeten vragen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te kunnen omdat de man daarvoor geen toestemming verleende. In de toekomst zullen ook beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] genomen moeten worden waarbij het noodzakelijk is dat beide gezaghebbende ouders hiervoor toestemming geven. Dat is in de huidige omstandigheden onmogelijk. Ook heeft de man sinds juni 2023 ieder contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbroken waardoor hij niet meer in staat is om een goede afweging te maken over wat in hun belang is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen therapie bij [pedagoog] in [plaats 2] . De vrouw heeft de man daarover geïnformeerd maar krijgt daarop geen reactie of enkel verwijten terug. In februari 2025 is de man bij [pedagoog] op gesprek gekomen. De man heeft tijdens dat gesprek geen inhoudelijke interesse getoond. Als [pedagoog] toestemming van de man nodig heeft, sturen zij hem een bericht via WhatsApp. De man verleent dan zijn toestemming maar toont wederom geen verdere interesse in de kinderen. Ook wil de man geen contact via de e-mail en niet fysiek naar [pedagoog] toekomen. Vanwege deze omstandigheden is er sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem en verloren raken tussen de ouders en het is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen terwijl wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is.
4.2
De vrouw vindt een raadsonderzoek niet van belang voor het beoordelen van het verzoek. De man weet immers de wegen om contact te krijgen te vinden maar kiest ervoor om daar geen gebruik van te maken. Daarbij benadrukt de vrouw dat een raadsonderzoek niet bedoeld is om de verblijfplaats van de man te achterhalen. Tot slot voert de vrouw aan dat er een omgangsregeling is vastgesteld. Indien de man zich meldt, kan deze omgangsregeling, onder regie van [pedagoog] , weer worden opgestart.
4.3
De Raad adviseert als volgt. Enerzijds begrijpt de Raad het verzoek van de vrouw omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie. Anderzijds zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog jong en is er nog veel onduidelijk. De man is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd waardoor zijn beweegredenen niet bekend zijn. Er spelen vaak zaken op de achtergrond bij een ouder die zijn ouderrol niet kan vervullen. De Raad geeft daarom de rechtbank in overweging om een raadsonderzoek te gelasten zodat een volledig beeld van de situatie wordt verkregen. Een bijkomend voordeel van een raadsonderzoek is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk meer context achter het handelen van de man krijgen waardoor zij de situatie beter kunnen verwerken.

5.De beoordeling

5.1
De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag over hun minderjarige kinderen houden. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter evenwel op verzoek van de ouders die niet met elkaar gehuwd zijn of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het minderjarige kind krijgt. Ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, van het BW is artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over het minderjarige kind naar één ouder gaat als er een onaanvaardbaar risico is dat, als beide ouders het gezag houden, het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het minderjarige kind noodzakelijk is.
5.2
De rechtbank moet eerst beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, begrijpt de rechtbank dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen is verstoord en de zorgregeling niet meer wordt nagekomen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het uiteengaan van partijen zodanig zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
5.3
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van de vrouw betrekking heeft op een ingrijpende beslissing die een zorgvuldige belangenafweging vergt. Deze belangenafweging is op dit moment echter lastig te maken omdat het standpunt van de man over het verzoek van de vrouw onbekend is. Gelet hierop en wat uit de stukken en de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, acht de rechtbank de beschikbare informatie ontoereikend om een gefundeerde en weloverwogen beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de vrouw. Belangrijk is dat er duidelijkheid komt over de huidige situatie waarbij de vrouw stelt dat de man op geen enkele wijze invulling geeft aan zijn ouderlijk gezag en evenmin meewerkt aan gezagszaken voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank is onvoldoende geïnformeerd over de beweegredenen van de man om uit contact te blijven. Voornamelijk nu de man wel, zij het in beperkte mate, in contact is met de hulpverlening en daaraan zijn toestemming verleent. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen en hem verzoeken een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.4
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van het verzoek van de vrouw worden aangehouden voor de duur van negen maanden. De rechtbank wil uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum geïnformeerd worden over (de voortgang van) het onderzoek van de Raad, ook als het raadsrapport op dat moment nog niet klaar is.
5.5
Aan de Raad wordt verzocht zijn rapportage met daarin het advies ook aan de vrouw en, indien bereikbaar, aan de man te doen toekomen. Van de advocaat van de vrouw en de eventuele (nog te stellen) advocaat van de man wordt verzocht om vervolgens binnen twee weken de rechtbank schriftelijk te berichten over hun standpunt inzake het advies van de Raad en de door hen gewenste voortgang van de procedure.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.3. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de (advocaten van) partijen;
6.2
houdt het verzoek van de vrouw aan tot
dinsdag 28 april 2026 PRO FORMA;
6.3
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.