ECLI:NL:RBZWB:2025:4866

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/02/432905 / FA RK 25-1271
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Pulskens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vervangende toestemming voor hulpverlening aan minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende een verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor de inzet van hulpverlening voor hun minderjarige kind, geboren in 2017. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. B.P.J. van Riel, verzocht de rechtbank om toestemming om hulpverlening op te starten, omdat de man, vertegenwoordigd door advocaat mr. P.F.M. Gulickx, zijn toestemming weigerde. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen, omdat het onvoldoende concreet en niet onderbouwd was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de communicatie tussen de partijen stroef verloopt en dat er onduidelijkheid bestaat over de noodzaak en de specifieke hulpverlening die de vrouw voorstelt. De man heeft aangegeven dat hij geen gedragsproblemen bij de minderjarige waarneemt en dat de vrouw hem niet actief betrekt bij de besluitvorming. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook geadviseerd dat het verzoek van de vrouw weinig concreet is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het verzoek te ruim is geformuleerd en dat er onvoldoende informatie is over de benodigde hulpverlening. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beslissing is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432905 / FA RK 25-1271
Datum uitspraak: 23 juli 2025
beschikking over een geschil in het kader van artikel 1:253a BW
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. B.P.J. van Riel in Breda,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx in Breda,
over de minderjarige
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 3 maart 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F2-formulier met bijlage van 3 maart 2025 van mr. Gulickx;
- het op 14 mei 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 16 mei 2025 van mr. Van Riel;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2025.
Tevens bestaat het procesverloop uit de volgende, na de mondelinge behandeling, ontvangen stukken:
- het F9-formulier van 1 juli 2025 van mr. Gulickx;
- het F4-formulier van 1 juli 2025 van mr. Van Riel;
- het F9-formulier van 4 juli 2025 van mr. Van Riel.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 20 mei 2025. Bij die behandeling zijn verschenen partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.5
Partijen hebben afspraken met elkaar gemaakt over de gevolgen van de beëindiging van hun relatie. Het door partijen opgestelde ouderschapsplan is gehecht aan en maakt deel uit van de beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2019.
2.6
Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij beschikking van 9 november 2022 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals opgenomen in het ouderschapsplan dat is gehecht aan de beschikking van 28 augustus 2019 gewijzigd als volgt:
- [minderjarige] verblijft om de week van donderdag uit school tot maandagochtend voor school bij de man. Daarnaast heeft [minderjarige] op donderdag zwemles en ook hier zorgt de man voor;
- de vakanties en feestdagen worden verdeeld overeenkomstig de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte regeling vakantie- en feestdagen, die deel uitmaakt van de beschikking.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming te verlenen om de hulpverlening voor [minderjarige] op te starten en aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming te verlenen alle voor de hulpverlening benodigde documenten te mogen ondertekenen.
3.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, een en ander kosten rechtens.
3.3
Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De standpunten

4.1
Ter onderbouwing van haar verzoek voert de vrouw, samengevat, het volgende aan.
Sinds de beschikking van 9 november 2022 blijft de communicatie tussen partijen stroef verlopen. Over de bril van [minderjarige] , de bijdrage voor de zwemles en de aanschaf van een fiets kunnen partijen bijvoorbeeld niet communiceren. De vrouw bemerkt daarnaast een wantrouwen van de man jegens haar. Door spanningen rondom partijen gaat het niet zo goed met [minderjarige] . Hij vertoont moeilijk gedrag. Hij heeft regelmatig driftbuien, hij kan met spullen gooien of wil gaan slaan. Het lukt hem niet om zijn frustraties de baas te zijn en laat boosheid zien. [minderjarige] heeft de vrouw verteld dat de man en zijn huidige partner veel ruzie met elkaar maken en dat zij in 2026 niet meer samen zullen zijn. De vrouw is naar de huisarts gegaan om voor [minderjarige] een hulpverlener te vinden. De huisarts is bereid een verwijzing te geven, maar dit kan alleen met toestemming van de man. De man weigert dit, wat maakt dat om vervangede toestemming van de rechtbank wordt verzocht.
4.2
Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, samengevat, het volgende aan. De vrouw onderbouwt haar verzoek onvoldoende. Zij geeft geen nadere toelichting over de exacte problematiek en de beweegredenen om specifieke hulpverlening voor [minderjarige] in te schakelen. Daarbij komt dat de man door de vrouw niet actief wordt betrokken bij de besluitvorming rondom [minderjarige] . Zo krijgt hij onvoldoende informatie over de gezondheid van [minderjarige] . De man heeft de vrouw meermaals verzocht om samen rond de tafel te gaan, echter de vrouw houdt dit af. Wanneer de man wil overleggen over de gezondheid van [minderjarige] wordt hij geblokkeerd. Dit bemoeilijkt het voor de man om een weloverwogen en zorgvuldige beslissing te kunnen maken. Naast het gebrek aan onderbouwing, is het verzoek van de vrouw ook te verstrekkend. Wanneer het verzoek wordt toegewezen kan zij zelfstandig besluiten nemen, zonder tussenkomst van de man, terwijl onvoldoende duidelijk is welke verwijzing en/of behandeling zij vraagt. Het verzoek van de vrouw komt in feite neer op een carte blanche. Voorts ervaart de man geen gedragsproblemen bij [minderjarige] . Het gedrag wat [minderjarige] laat zien, is alleen bij de vrouw thuis. Dit hangt mogelijk samen met de dynamiek binnen de opvoedingssituatie van de vrouw. De vrouw is zelf lichamelijk beperkt en zet [minderjarige] in voor hulp. Zijn gedrag hangt mogelijk samen met de verantwoordelijkheden die hij thuis krijgt.
4.3
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. De Raad kan zich voorstellen dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft. Hoewel de Raad ook de noodzaak van hulpverlening kan onderschrijven, is het verzoek van de vrouw weinig concreet. De Raad hoopt dat wanneer de noodzaak van hulpverlening wat concreter wordt, de man daarmee alsnog kan instemmen. Dit zou de effectiviteit van de hulpverlening ten goede komen.

5.De beoordeling

5.1
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen gezocht naar een oplossing voor de tussen hen bestaande problemen. Gebleken is dat wanneer de vrouw de noodzaak en de gewenste vorm van hulpverlening concreter kan onderbouwen, mogelijk voorzien van een verklaring van huisarts en/of beoogd hulpverlener, en de man hierin wordt betrokken, de man bereid is om mee te denken en waar mogelijk zijn toestemming te verlenen. Partijen hebben vervolgens ingestemd met een aanhouding van de zaak. De rechtbank verwijst daarbij kortheidshalve naar het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
5.2
De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de F9-formulieren van de man en de vrouw van respectievelijk 1 en 4 juli 2025.
5.3
Volgens de man hebben partijen contact gehad met school. School ziet geen hulpvraag met betrekking tot [minderjarige] . Ook hebben partijen een gesprek gehad met de huisarts, waarna er een doorverwijzing heeft plaatsgevonden naar de praktijkondersteuner. De praktijkondersteuner heeft aangegeven geen noodzaak te zien om [minderjarige] een therapie of behandeling te laten volgen. Gelet hierop handhaaft de man zijn standpunt dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen.
5.4
De vrouw meldt dat zij een andere beleving van het gesprek met de praktijkondersteuner heeft. De praktijkondersteuner heeft in het gesprek namelijk ook meegegeven in het nieuwe schooljaar van [minderjarige] te bezien wat er met hem gebeurt. Gelet op het verschil van inzicht over de noodzaak van hulpverlening, verzoekt de vrouw de rechtbank om de zaak aan te houden tot eind september 2025, zodat de verdere voortgang gemonitord kan worden.
Wettelijk kader
5.5
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
5.6
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken, artikel 1:253a lid 5 BW. Gelet op de inhoud van de F9-formulieren van partijen stelt de rechtbank vast dat zij geen overeenstemming met elkaar hebben bereikt. Dit betekent dat de rechtbank op het verzoek van de vrouw zal beslissen.
Inhoudelijke beoordeling
5.7
De rechtbank kan hier kort zijn. Zij acht het verzoek van de vrouw onvoldoende concreet en niet onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen. Met de man ziet de rechtbank dat het verzoek van de vrouw te ruim is geformuleerd en niet specifiek of concreet is. De vrouw vraagt om vervangende toestemming voor de inzet van hulpverlening, maar onduidelijk is welke hulpverlening er daadwerkelijk voor [minderjarige] nodig is en voor welke therapie of behandeling de vrouw vervangende toestemming vraagt. Bovendien maakt de rechtbank uit de door partijen overgelegde F9-formulieren op dat ook de praktijkondersteuner van de huisarts op dit moment geen reden ziet om hulpverlening in te zetten.
5.8
Wanneer de rechtbank het verzoek van de vrouw zou toewijzen, heeft zij volledige vrijheid en bevoegdheid om naar eigen inzicht te handelen, zonder de visie van de man daarin te betrekken. Dat is niet gewenst.
5.9
De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de vrouw aan te houden, zoals zij in haar F9-formulier van 4 juli 2025 verzoekt. Wanneer er komend schooljaar blijkt dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft en er een specifieke behandeling of therapie wordt beoogd, ligt het op de weg van partijen om daarover (opnieuw) met elkaar in gesprek te gaan. Indien en voor zover partijen (al dan niet met bijstand van hun advocaten) op dat moment geen overeenstemming met elkaar kunnen bereiken, kan de vrouw eventueel een nieuw verzoek indienen, voorzien van concrete informatie en onderbouwing.
Proceskosten
5.9
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
wijst het verzoek van de vrouw af;
6.2
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.