In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende een verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor de inzet van hulpverlening voor hun minderjarige kind, geboren in 2017. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. B.P.J. van Riel, verzocht de rechtbank om toestemming om hulpverlening op te starten, omdat de man, vertegenwoordigd door advocaat mr. P.F.M. Gulickx, zijn toestemming weigerde. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen, omdat het onvoldoende concreet en niet onderbouwd was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de communicatie tussen de partijen stroef verloopt en dat er onduidelijkheid bestaat over de noodzaak en de specifieke hulpverlening die de vrouw voorstelt. De man heeft aangegeven dat hij geen gedragsproblemen bij de minderjarige waarneemt en dat de vrouw hem niet actief betrekt bij de besluitvorming. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook geadviseerd dat het verzoek van de vrouw weinig concreet is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het verzoek te ruim is geformuleerd en dat er onvoldoende informatie is over de benodigde hulpverlening. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beslissing is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.