De vrouw verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor het starten van hulpverlening voor de minderjarige, omdat de man zijn toestemming weigerde. De minderjarige vertoonde moeilijk gedrag en de vrouw wilde een hulpverlener inschakelen, maar de man was het hier niet mee eens en vond het verzoek te ruim en onvoldoende onderbouwd.
Partijen oefenden gezamenlijk gezag uit over de minderjarige, die zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De communicatie tussen partijen verliep stroef, met onenigheid over diverse opvoedkundige zaken. De Raad voor de Kinderbescherming onderschreef de mogelijke noodzaak van hulpverlening, maar vond het verzoek te weinig concreet.
De rechtbank stelde vast dat partijen geen overeenstemming konden bereiken en dat het verzoek onvoldoende concreet was. De praktijkondersteuner van de huisarts zag geen noodzaak voor therapie. De rechtbank oordeelde dat het verzoek te ruim was en dat toewijzing zou leiden tot eenzijdig handelen zonder betrokkenheid van de man. Daarom werd het verzoek afgewezen en de zaak niet aangehouden. Proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.