Uitspraak
1.[maat 1] ,
2. [maat 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 21 september 2019 werd de maatschap opgericht met vijf maten, waaronder [maat 1] en [maat 2]. In mei 2022 gaven deze twee maten aan uit de maatschap te willen treden en schreven zich per 1 juli 2022 uit bij de Kamer van Koophandel. De maatschap stelde een eindafrekening op per 1 juli 2022 en vorderde betaling van openstaande bedragen van de uittredende maten, die deze betalingen betwistten.
De kern van het geschil betrof de rechtsgeldigheid van de opzegging, de vraag of de maatschap door de opzegging was ontbonden, en de juistheid van de eindafrekening. De rechtbank nam aan dat de opzegging rechtsgeldig was en dat de resterende maten de werkzaamheden voortzetten, waardoor de maatschap ontvankelijk was in haar vorderingen.
Echter, de kantonrechter oordeelde dat de vorderingen niet toegewezen konden worden omdat de eindafrekening onvoldoende onderbouwd was en geen duidelijk en getrouw beeld gaf van de activa en passiva per 1 juli 2022. Ook de door de uittredende maten gecorrigeerde eindafrekening kon dit niet aantonen. De subsidiaire vordering tot het opstellen van een deugdelijke eindafrekening werd eveneens afgewezen wegens onduidelijkheid over wat een deugdelijke eindafrekening inhoudt.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Dit vonnis werd gewezen door rechter Kool en op 11 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vorderingen van de maatschap en de uittredende maten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de eindafrekening.