ECLI:NL:RBZWB:2025:4888

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
C/02/437235 / FA RK 25-3403
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding bij onrechtmatige opname zonder geldige titel in de zorg

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 44 van de Wet zorg en dwang (Wzd). Betrokkene, geboren in 1995, verbleef zonder geldige titel in een zorginstelling van de zorgaanbieder, nadat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op 10 maart 2025 was verlopen. De zorgaanbieder had op 11 maart 2025 een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging ingediend, maar deze werd pas op 27 maart 2025 verleend. De rechtbank oordeelde dat betrokkene gedurende de periode van 11 maart tot 27 maart 2025 onrechtmatig was opgenomen, omdat er geen geldige machtiging was. De rechtbank concludeerde dat de zorgaanbieder op grond van artikel 48 Wzd ambtshalve ontslag had moeten verlenen aan betrokkene. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van € 160,00, zijnde € 10,00 per dag voor de zestien dagen dat betrokkene zonder geldige titel was opgenomen. De rechtbank overwoog dat de zorgaanbieder niet verwijtbaar had gehandeld, maar dat de wet niet in acht was genomen. De zorgaanbieder had de wettelijke termijnen gerespecteerd, maar had desondanks de verantwoordelijkheid om betrokkene te ontslaan uit de accommodatie niet nageleefd. De rechtbank heeft de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag van de beschikking tot aan de dag van betaling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437235 / FA RK 25-3403
Datum uitspraak: 28 juli 2025
Beschikking over schadevergoeding op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang (Wzd)
naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
verblijvende bij [de zorgaanbieder] , [adres 1] te [plaats] ,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg.
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door:
[de zorgaanbieder],
gevestigd aan [adres 2] ,
hierna te noemen: de zorgaanbieder.

1.Het procesverloop

1.1
Het procesverloop van deze zaak bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 30 juni 2025, met bijlagen;
  • het verweerschrift met bijlagen van 22 juli 2025.
1.2
Op 24 juli 2025 heeft de rechtbank de zaak besproken tijdens de mondelinge behandeling bij de accommodatie van [de zorgaanbieder] aan [adres 1] . Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door mr. E.E.M. van Horen als waarnemend advocaat voor mr. Nederlof;
  • senior beleidsadviseurs, de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] ;
  • zorgverantwoordelijke, mevrouw [naam 3] .
1.3
Bij de mondelinge behandeling waren ook twee begeleidsters van betrokkene aanwezig, maar zij zijn niet gehoord.

2.De feiten

2.1
Bij beschikking van 27 januari 2025 heeft deze rechtbank een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, tot en met 10 maart 2025.
2.2
Op 11 maart 2025 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) een verzoek ingediend tot het verlenen van een rechterlijke machtiging.
2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2025, is ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging verleend, tot en met 11 september 2025.
2.4
Betrokkene verblijft op grond van voormelde machtiging in bovengenoemde accommodatie van de zorgaanbieder.
2.5
Tussen partijen bestaat geen discussie dat betrokkene zonder titel verbleef bij de accommodatie in de periode gelegen tussen 11 maart 2025 en 27 maart 2025. Tussen partijen staat evenmin ter discussie dat de zorgaanbieder voor afloop van de voorgezette inbewaringstelling een aanvraag voor een rechterlijke machtiging bij het CIZ heeft ingediend.

3.Het verzoek

3.1
Betrokkene verzoekt om de zorgaanbieder te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van deze beschikking, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan betrokkene een schadevergoeding van € 1.600,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 tot en met de dag van betaling en voorwaardelijk te vermeerderen met de door betrokkene betaalde griffierechten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de griffierechten verschuldigd zijn tot aan de dag van betaling.
3.2
Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding verzoekt betrokkene tijdens de mondelinge behandeling primair aan te sluiten bij de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken, en subsidiair – zo begrijpt de rechtbank – een schadevergoeding te bepalen als de rechtbank in goede justitie geraden acht.

4.Het standpunt van betrokkene

4.1
Op de vraag van de rechtbank hoe het met betrokkene gaat, antwoordt zij: ‘Het gaat op dit moment niet zoals ik wil. Wat is gebeurd, is slordig. Ik ben van tevoren niet gewaarschuwd. Mij wordt schade aangedaan in het vertrouwen en dat was al niet zo best.’
4.2
De advocaat van betrokkene voert, samengevat, het volgende aan. Voorafgaand aan de rechterlijke machtiging verbleef betrokkene bij de instelling van de zorgaanbieder op grond van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, die gold tot en met 10 maart 2025. Het verzoekschrift tot het verlenen van een rechterlijke machtiging is op 11 maart 2025 door het CIZ bij de rechtbank ingediend. Dit is buiten de daarvoor geldende termijn. Dit betekent dat betrokkene vanaf 11 maart 2025 tot 27 maart 2025 (de datum waarop de rechterlijke machtiging is verleend) zonder de vereiste machtiging in de accommodatie opgenomen is geweest. Dit is ook door de rechtbank geconstateerd in de beschikking van 27 maart 2025. Bij de verlening van de rechterlijke machtiging heeft de rechtbank de duur van de periode dat betrokkene zonder machtiging in de accommodatie heeft verbleven in mindering gebracht op de geldigheidsduur van de machtiging.
4.3
Omdat betrokkene een periode zonder de vereiste machtiging in de accommodatie opgenomen is geweest, kan zij een schadevergoeding vragen. Dit is een laagdrempelige mogelijkheid. Van verwijtbaarheid door de zorgaanbieder hoeft geen sprake te zijn. De enige constatering dat betrokkene zonder machtiging in de accommodatie heeft verbleven, is voldoende.
4.4
Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding verzoekt betrokkene de rechtbank om aan te sluiten bij de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (het LOVF), dan wel een schadevergoeding te bepalen die de rechtbank in goede justitie geraden acht. Volgens de oriëntatiepunten is een vergoeding van € 100,= per dag voor een opname zonder geldige titel het uitgangspunt. Voorwaardelijk wordt verzocht om de zorgaanbieder te veroordelen in de kosten die zien op het griffierecht en de wettelijke rente.

5.Het standpunt van de zorgaanbieder

5.1
De zorgaanbieder voert het volgende verweer tegen het verzoek. Tussen de aanvraag bij het CIZ door de zorgaanbieder en de behandeling door de rechtbank is enige tijd verlopen. Dit is niet aan de zorgaanbieder te wijten. De zorgaanbieder heeft de aanvraag ingediend binnen de daarvoor geldende termijn, namelijk op 6 en 7 maart 2025. Deze momenten zijn gelegen binnen de geldende voortzetting van de inbewaringstelling. De zorgaanbieder heeft weliswaar iets later dan gebruikelijk de aanvraag bij het CIZ ingediend, maar binnen de wettelijke termijn. [1] Een dag vóór indiening van de aanvraag heeft de zorgaanbieder contact gehad met het CIZ om aan te kondigen dat de aanvraag zou worden ingediend.
5.2
Doordat het CIZ het verzoek op 11 maart 2025 bij de rechtbank heeft ingediend, heeft ook het CIZ de wettelijke termijn van één week in acht genomen. [2] Ook de rechtbank heeft binnen de wettelijke termijn beslist. [3] Volgens de zorgaanbieder heeft noch zij, noch het CIZ, noch de rechtbank in strijd gehandeld met de wettelijke termijnen. Ondanks dat er geen termijnoverschrijdingen zijn, is er toch een periode geweest waarin betrokkene zonder geldige verblijfstitel opgenomen is geweest. Dit is een leemte in de wet.
5.3
Normaal gesproken is de ervaring van de zorgaanbieder dat het CIZ de aanvraag na indiening direct oppakt. Hier zijn eerder geen problemen mee geweest. De zorgaanbieder weet nooit of en wanneer het CIZ het verzoek daadwerkelijk bij de rechtbank indient. Als het CIZ (te) laat zou zijn met indiening van het verzoek, dan weet de zorgaanbieder dat niet. De zorgaanbieder kwam hier pas achter tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging op 27 maart 2025. De zorgaanbieder heeft om die reden geen aanleiding gezien om betrokkene ontslag te verlenen.
5.4
Wanneer de zorgaanbieder wel op de hoogte zou zijn geweest van de tussenperiode zonder geldige titel had zij wellicht de rechtbank kunnen vragen om een spoedige behandeling van het verzoek. Ook had geprobeerd kunnen worden om met betrokkene het gesprek aan te gaan over een tijdelijk vrijwillig verblijf. Voor het aanvragen van een inbewaringstelling bij de burgemeester moet sprake zijn van een acute situatie. Dit is een andere toets dan die voor een rechterlijke machtiging. Nu kan niet meer worden vastgesteld of die optie reëel zou zijn geweest. De vraag of betrokkene op dat moment naar huis gestuurd kon worden, is een zorginhoudelijke afweging die op dat moment gemaakt had moeten worden. De huidige zorgverantwoordelijke was niet betrokken toen dit speelde en kan niets zeggen over welke zorginhoudelijke afweging toen gemaakt zou zijn.
5.5
De zorgaanbieder concludeert dat zij geen grondslag ziet voor aansprakelijkheid of een schadevergoeding. De zorgaanbieder heeft niet verwijtbaar gehandeld, omdat zij aan alle wettelijke termijnen heeft voldaan. Als de rechtbank wel reden ziet om een schadevergoeding op te leggen, moet deze drastisch worden gematigd. Eigenlijk zou de schadevergoeding dan bij het CIZ moeten worden neergelegd omdat zij het verzoek buiten de termijn heeft ingediend.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1
Artikel 24 lid 1 Wzd bepaalt, voor zover hier van belang, dat onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een cliënt in een geregistreerde accommodatie alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Uit lid 2 sub a van voornoemd artikel volgt dat de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf onvrijwillig is indien de betreffende persoon van twaalf jaar of ouder zich verzet tegen de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf.
6.2
Volgens artikel 48 lid 1 Wzd verleent de zorgaanbieder een in een accommodatie verblijvende cliënt ambtshalve of op verzoek van de cliënt of zijn vertegenwoordiger ontslag uit de accommodatie, indien:
a. het verblijf niet langer noodzakelijk is om ernstig nadeel als gevolg van het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap dan wel de daarmee gepaard gaande psychische stoornis te voorkomen of af te wenden; of
b. de geldigheidsduur van de machtiging tot opname en verblijf, de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, dan wel van de beschikking tot inbewaringstelling is verstreken, tenzij voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende machtiging. In dat geval verleent de zorgaanbieder ontslag zodra op het verzoek afwijzend is beslist, of de termijn voor het geven van een beslissing is verstreken.
6.3
Op grond van artikel 44 lid 2 Wzd kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder of de zorgverantwoordelijke, indien de wet niet in acht is genomen door de zorgaanbieder, de Wzd-functionaris of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
Inhoudelijke beoordeling
6.4
De rechtbank moet beoordelen of de zorgaanbieder in dit geval de wet niet in acht heeft genomen en betrokkene op grond van artikel 44 Wzd recht heeft op een schadevergoeding.
6.5
Samen met betrokkene en de zorgaanbieder concludeert de rechtbank dat betrokkene een periode zonder geldige titel bij de accommodatie opgenomen is geweest. De rechtbank heeft in haar beschikking van 27 maart 2025 al overwogen dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling gold tot en met 10 maart 2025 en dus op 11 maart 2025 is verstreken en betrokkene vanaf dat moment zonder vereiste rechterlijke machtiging in de accommodatie opgenomen is geweest. De rechtbank volgt deze overweging. Een gegeven is dus dat betrokkene na 10 maart 2025 onvrijwillig, zonder geldende titel bij de accommodatie opgenomen was.
6.6
De rechtbank is van oordeel dat de zorgaanbieder aan betrokkene een schadevergoeding verschuldigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 24 lid 1 Wzd, waaruit volgt dat onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een cliënt alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie, heeft de zorgaanbieder in voornoemde periode in strijd met de wet gehandeld door betrokkene in die periode onvrijwillig en zonder rechterlijke machtiging te laten verblijven in haar accommodatie. De zorgaanbieder had, op grond van artikel 48 Wzd, betrokkene ambtshalve ontslag moeten verlenen. Dat is waar het in deze zaak om gaat.
6.7
Of de zorgaanbieder heeft gehandeld binnen de wettelijke termijnen zoals genoemd in artikel 25 en 26 Wzd doet in dit geval niet ter zake. Immers, de grondslag van het verzoek tot schadevergoeding is gelegen in de artikelen 44 en 48 Wzd. De rechtbank overweegt daarbij dat het handelen conform artikel 25 en 26 Wzd de zorgaanbieder niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid om betrokkene conform artikel 48 Wzd ambtshalve ontslag te verlenen wanneer een titel voor haar verblijf ontbreekt.
6.8
De stelling van de zorgaanbieder dat zij pas op 27 maart 2025, tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek om een rechterlijke machtiging te verlenen wist dat betrokkene zonder geldige titel opgenomen was volgt de rechtbank niet. Immers, in de oproepbrief van de rechtbank aan de zorgaanbieder staat vermeld wanneer het CIZ het verzoek bij de rechtbank heeft ingediend. De zorgaanbieder kon dus eerder weten dat er sprake was van een tussenliggende periode zonder machtiging, namelijk direct na ontvangst van de oproepbrief.
6.9
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat betrokkene in de periode tussen voornoemde rechterlijke machtigingen, met ingang van 11 maart 2025 tot 27 maart 2025, te weten zestien dagen - onvrijwillig en zonder rechterlijke machtiging opgenomen is geweest in de accommodatie. Het verzet van betrokkene neemt de rechtbank overigens aan, omdat de zorgaanbieder een rechterlijke machtiging had aangevraagd. Conform artikel 48 Wzd had de zorgaanbieder haar ambtshalve ontslag moeten verlenen. Of de zorgaanbieder had een alternatief moeten aanwenden, zoals bijvoorbeeld het voeren van een gesprek met betrokkene over een vrijwillig verblijf of, indien aan de vereisten daarvoor zou zijn voldaan, het aanvragen van een nieuwe inbewaringstelling bij de burgemeester. De rechtbank is dan ook van oordeel dat betrokkene recht heeft op een door de zorgaanbieder te betalen schadevergoeding als bedoeld in artikel 44 lid 2 Wzd.
Hoogte schadevergoeding
6.1
Uit artikel 44 lid 2 Wzd volgt dat de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent.
6.11
Namens betrokkene is met betrekking tot de hoogte van de vast te stellen schadevergoeding verwezen naar de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (het LOVF), te weten een vergoeding van € 100,= per dag voor een opname zonder geldige titel.
6.12
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding te matigen.
6.13
De rechtbank acht het billijk om in dit geval € 10,= per dag toe te kennen dat betrokkene zonder geldige titel opgenomen is geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat:
- betrokkene niet wist dat zij zonder geldige titel opgenomen was, en;
- de rechtelijke machtiging van betrokkene is verleend en dit ook zou zijn gebeurd wanneer het CIZ het verzoek wel binnen de termijn van de voortzetting van de inbewaringstelling had ingediend. Er was in dat geval wel een rechtsgrond voor het verdere verblijf van betrokkene bij de zorgaanbieder. Betrokkene heeft passende zorg ontvangen en zij zou in dezelfde positie hebben verkeerd in het geval het CIZ het verzoek wel tijdig zou hebben ingediend.
6.14
Omdat betrokkene, zoals de rechtbank hiervoor onder rechtsoverweging 6.9 heeft overwogen, in totaal zestien dagen onvrijwillig en zonder geldige titel opgenomen is geweest in de accommodatie, stelt de rechtbank de hoogte van de door de zorgaanbieder aan betrokkene te betalen schadevergoeding vast op totaal (16 dagen x € 10,=) € 160,=.
6.15
Betrokkene verzoekt voorwaardelijk het bedrag aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De zorgaanbieder heeft zich hiertegen niet verzet. De rechtbank zal dat deel van het verzoek daarom toewijzen. Omdat betrokkene voor het verzoek geen griffierecht verschuldigd is, komt dit niet voor een vergoeding in aanmerking.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1
veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene, ter hoogte van € 160,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot en met de dag van betaling;
7.2
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2025 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.

Voetnoten

1.Artikel 25 lid 3 Wzd.
2.Artikel 26 lid 1 Wzd.
3.Artikel 39 lid 1 Wzd.