In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 44 van de Wet zorg en dwang (Wzd). Betrokkene, geboren in 1995, verbleef zonder geldige titel in een zorginstelling van de zorgaanbieder, nadat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op 10 maart 2025 was verlopen. De zorgaanbieder had op 11 maart 2025 een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging ingediend, maar deze werd pas op 27 maart 2025 verleend. De rechtbank oordeelde dat betrokkene gedurende de periode van 11 maart tot 27 maart 2025 onrechtmatig was opgenomen, omdat er geen geldige machtiging was. De rechtbank concludeerde dat de zorgaanbieder op grond van artikel 48 Wzd ambtshalve ontslag had moeten verlenen aan betrokkene. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van € 160,00, zijnde € 10,00 per dag voor de zestien dagen dat betrokkene zonder geldige titel was opgenomen. De rechtbank overwoog dat de zorgaanbieder niet verwijtbaar had gehandeld, maar dat de wet niet in acht was genomen. De zorgaanbieder had de wettelijke termijnen gerespecteerd, maar had desondanks de verantwoordelijkheid om betrokkene te ontslaan uit de accommodatie niet nageleefd. De rechtbank heeft de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag van de beschikking tot aan de dag van betaling.