ECLI:NL:RBZWB:2025:4930

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
02-105770-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling en voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie met verwerping van beroep op noodweer(exces)

Op 30 juli 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot zware mishandeling en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De verdachte, geboren in 1968 en thans gedetineerd, had op 4 april 2025 geprobeerd een slachtoffer met een bijl te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, maar dat de verdachte wel degelijk geprobeerd had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer(exces) van de verdediging, omdat de verdachte als agressor had gehandeld door gewapend naar de woning van het slachtoffer te gaan. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en bepaalde dat de verdachte zich aan verschillende bijzondere voorwaarden moest houden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer voor de geleden materiële en immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/105770-25
vonnis van de meervoudige kamer van 30 juli 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd te PI Middelburg, 4337 PE Middelburg, Torentijdweg 1,
raadsvrouw mr. S. van de Voorde, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juli 2025, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
2. een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
3. munitie, te weten 5 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan (feit 1 in de primaire variant).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van voorwaardelijk opzet. Zij verzoekt verdachte van dit feit vrij te spreken. Wel kan tot een bewezenverklaring worden gekomen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit en van de feiten 2 en 3.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Vaststelling van de feiten
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de avond van 4 april 2025 naar de woning van [slachtoffer] is gegaan en een bijl bij zich had. Verdachte had als doel om [slachtoffer] te confronteren met het vermeende seksueel misbruik door [slachtoffer] van [naam] , een vriendin van verdachte die ook woonachtig was in de woning van [slachtoffer] . Op de bewuste avond van 4 april 2025 is verdachte door [naam] de woning van [slachtoffer] binnengelaten. Nadat verdachte [slachtoffer] uitmaakte voor ‘pedofiel’, sloeg verdachte [slachtoffer] met zijn vuist op zijn lip. Vervolgens pakte verdachte een bijl uit zijn binnenzak en haalde twee keer uit op de achterzijde van het hoofd van [slachtoffer] . Daarna sloeg verdachte [slachtoffer] nog een keer met de bijl en raakte hem op de voorzijde op de bovenkant van zijn hoofd . Als gevolg van deze geweldshandelingen heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, te weten een wond op het voorhoofd van 6 centimeter, een grote flap verwonding op het achterhoofd van 10 centimeter en twee kleinere flap verwondingen op het achterhoofd van
5 en 3 centimeter.
Poging tot doodslag?
De vraag is hoe het slaan met een bijl tegen/op het hoofd moet worden gekwalificeerd. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Vaststaat dat verdachte meerdere keren met een bijl tegen/op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, maar niet vastgesteld kan worden dat dit met een zodanige kracht is gebeurd dat dit een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] oplevert. In dat verband acht de rechtbank het letsel van [slachtoffer] relevant, zoals hiervoor omschreven. Daarnaast acht de rechtbank de kenmerken van de bijl waarmee verdachte heeft geslagen relevant. Weliswaar betreft de bijl een scherp voorwerp, maar deze bijl is niet van zodanige aard dat de daarmee veroorzaakte verwondingen evident potentieel dodelijk zijn. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] door de geweldshandelingen van verdachte zou overlijden. Zij zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling?
Niet is gebleken dat verdachte de geweldshandelingen heeft verricht met als doel zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. Er is dan ook geen sprake geweest van vol opzet om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of er sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte met zijn handelen heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is, waarbij het meermalen slaan met een bijl tegen/op het hoofd de aanmerkelijke kans met zich brengt dat zwaar lichamelijk letsel optreedt. Verdachte wordt geacht zich hiervan bewust te zijn geweest. Door toch genoemd geweld uit te oefenen, heeft hij – gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen – bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedragingen zouden leiden tot zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht dan ook de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2025, waarin het wapen en de munitie (juridisch) worden omschreven en gecategoriseerd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de tenlastelegging genoemde wapen en de in de tenlastelegging genoemde patronen voorhanden heeft gehad.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. subsidiair
op 4 april 2025 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
,die [slachtoffer] met een bijl meermalen tegen/op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 7 maart 2025 te [woonplaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) scherpschietend pistool van het merk Blow, type
TR17, kaliber .380 auto, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
3.
op 7 maart 2025 te [woonplaats] munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5 kogelpatronen van het kaliber .380 auto voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijkerwijs heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] , dan wel dat bij verdachte een hevige gemoedsbeweging ontstond die het gevolg was van die aanranding door [slachtoffer] .
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie moet een beroep op noodweer(exces) worden verworpen.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende.
De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Als de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding worden overschreden, kan sprake zijn van noodweerexces. De overschrijding van grenzen moet dan wel het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanrander veroorzaakt.
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] met de bijl op hem afkwam en hij de bijl van [slachtoffer] heeft afgepakt en zich daar alleen mee heeft verdedigd door [slachtoffer] daarmee te slaan.
De rechtbank stelt vast dat de stelling van verdachte dat [slachtoffer] op hem afkwam met de bijl op geen enkele wijze wordt ondersteund door (andere) bewijsmiddelen in het dossier. Het is juist verdachte geweest die als agressor heeft gehandeld, door gewapend met een bijl naar de woning van [slachtoffer] te gaan om hem te confronteren en deze bijl ook daadwerkelijk te gebruiken door [slachtoffer] meerdere keren te slaan tegen/op het hoofd .
Gezien de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven en als aangehaald in de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zodat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich mee dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit en de feiten 2 en 3 uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat (verder) niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen (uitgaande van een poging tot doodslag bij feit 1) een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering in haar rapport van 27 juni 2025 zijn geadviseerd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan hem een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het overige deel voorwaardelijk is. De gevorderde straf is niet passend en niet in overeenstemming met de LOVS-oriëntatiepunten. Van belang is dat verdachte gemotiveerd blijft voor behandeling en daarmee zo snel mogelijk kan starten. Een langere onvoorwaardelijke straf kan die motivatie mogelijk aantasten en is ook niet in het belang van de maatschappij. Bovendien vormt een flink voorwaardelijk deel een goede steun in de rug. Daarnaast verzoekt de verdediging de geadviseerde bijzondere voorwaarden over te nemen. Het is voldoende om het contact- en locatieverbod in het kader van de bijzondere voorwaarden op te nemen. Het is niet noodzakelijk om deze verboden als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft daarbij letsel opgelopen en hij wordt nog steeds geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , maar ook op zijn persoonlijke levenssfeer, nu het feit in de eigen woning van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Het handelen van verdachte heeft bij [slachtoffer] gevoelens van onrust, angst en onveiligheid gecreëerd en het is een feit van algemene bekendheid dat deze gevoelens, maar ook psychische gevolgen van het gepleegde geweld nog gedurende langere tijd kunnen aanhouden.
In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn houding ten opzichte van het gepleegde geweld. De rechtbank leidt namelijk uit de verklaringen van verdachte af dat hij de verantwoordelijkheid voor het gepleegde geweld en zijn handelen volledig bij [slachtoffer] legt.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het wapen met de bijbehorende kogelpatronen was voor direct gebruik geschikt. Het ongecontroleerde bezit van een wapen en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen met zich mee, waartegen moet worden opgetreden. De rechtbank acht het extra zorgelijk en kwalijk dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij weer een nieuw wapen wil aanschaffen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 27 mei 2025, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en twee keer eerder is veroordeeld voor het bezit van wapens. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij ondanks deze veroordelingen wederom een wapen en munitie in zijn bezit had.
Verder slaat de rechtbank acht op het rapport van de reclassering van 27 juni 2025, waarin zij heeft geconcludeerd dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Geadviseerd is bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de straat waar [slachtoffer] woonachtig is.
Straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank – naast alles wat hiervoor is overwogen – rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest waarvan
6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf vormt een stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen en maakt het stellen van bijzondere voorwaarden mogelijk.
De rechtbank ziet aanleiding de door de reclassering geadviseerde voorwaarden aan de voorwaardelijke straf te verbinden..
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 971,50 voor feit 1, bestaande uit een bedrag van € 121,50 aan materiële schade en € 850,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van de poging tot zware mishandeling en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt, voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden en deze schade is voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd. Gebleken is dat de benadeelde partij letsel heeft opgelopen. De immateriële schade is dan ook een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit, verdachte is daarvoor aansprakelijk en deze schade komt voor vergoeding in aanmerking.
Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 850,00 billijk en daarom toewijsbaar.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gehele vordering toewijzen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 4 april 2025.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.Het beslag

8.1
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
De voorwerpen behoren aan verdachte toe, het zijn voorwerpen met betrekking tot welke de feiten 2 en 3 zijn begaan, en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, waarvan
6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij verslavingsreclassering Emergis op het adres Vrijlandstraat 33 te Middelburg (0113-267290). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte zich laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland (FZZ) Emergis of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling zou binnen detentie al opgestart kunnen worden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Indien geïndiceerd, werkt verdachte mee aan diagnostiek;
* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met
[slachtoffer] , geboren [1954] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte zich niet bevindt om en in de straat van [slachtoffer] , namelijk [adres] in [woonplaats] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt;
- stelt vast dat
van rechtswege de volgende voorwaardengelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1) van
€ 971,50, waarvan € 121,50 aan materiële schade en € 850,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] (feit 1), € 971,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 19 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
* 1.00 stuks Wapen (Omschrijving: PL2000-2025058907-G2835437, Zwart, merk: Clock 25 austria);
* 5.00 stuks Munitie (Omschrijving: PL2000-2025058907-G2835439, Goudkleurig).
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. J.B. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juli 2025.
Mrs. Skalonjic en Polak zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

11.Bijlage I

De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 4 april 2025 te [woonplaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
die [slachtoffer] met een bijl/handkliever, althans een dergelijk voorwerp, meermalen
tegen/op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 april 2025 te [woonplaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan F [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer] met een bijl/handkliever, althans een dergelijk voorwerp, meermalen
tegen/op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2.
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [woonplaats]
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een (getransformeerd) scherpschietend pistool, van het merk Blow, type
TR17, kaliber .380 auto,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3.
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [woonplaats] munitie van categorie III van de Wet
wapens en munitie, te weten
5, kogelpatronen van het kaliber .380 auto
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )