De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 31 januari 2025 de zaken waarin belanghebbende vergoeding vorderde voor immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsprocedures tegen informatiebeschikkingen van de inspecteur.
De inspecteur had informatiebeschikkingen gegeven voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017, die later werden ingetrokken. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar met drie jaar en negen maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een vergoeding van €4.000, verdeeld tussen de inspecteur en de Staat.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de inspecteur het motiveringsbeginsel had geschonden in de uitspraak op bezwaar, wat recht gaf op een proceskostenvergoeding van €1.814 voor de beroepsfase. De rechtbank wees een integrale proceskostenvergoeding af en bepaalde dat de inspecteur ook het betaalde griffierecht moest vergoeden.
De rechtbank wees het verzoek tot verdaging van de zitting af en benadrukte het belang van een goede procesgang. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.