Uitspraak
1.[verweerder 1] ,
2.
[verweerder 2],
3.
[verweerder 3],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil over de opzegging van een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerder 1. Verzoekster was sinds 19 september 2022 in dienst op basis van drie opvolgende schriftelijke arbeidsovereenkomsten, waarvan de laatste liep tot 31 december 2024. Verzoekster stelde dat zij voorafgaand aan de eerste schriftelijke overeenkomst al werkzaamheden had verricht, waardoor er feitelijk sprake was van vier opvolgende contracten. Hierdoor zou de laatste overeenkomst als een contract voor onbepaalde tijd gelden.
De kantonrechter oordeelde dat verweerder 1 onvoldoende had weersproken dat verzoekster al voor 19 september 2022 werkte, mede gelet op loonopgaven en een UWV-bericht over gewerkte uren. Het niet overleggen van een urenspecificatie leidde tot het oordeel dat verzoekster inderdaad al eerder werkte, waardoor de laatste overeenkomst als onbepaalde tijd gold. De opzegging per brief van 12 november 2024 werd daarom vernietigd wegens strijd met artikel 7:671 lid 1 BW Pro.
De vordering tot doorbetaling van loon werd afgewezen omdat niet was gebleken dat verzoekster zich na 31 december 2024 beschikbaar had gehouden voor werk. De proceskosten werden aan verweerder 1 opgelegd. De kantonrechter wees alle overige vorderingen af en verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd omdat de laatste overeenkomst geldt als onbepaalde tijd na vier opvolgende contracten.