Uitspraak
1.[verweerder 1] ,
2.
[verweerder 2],
3.
[verweerder 3],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoekster] en [verweerder 1]. De kern van het geschil betreft de vraag of de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] met [verweerder 1] voor onbepaalde tijd is aangegaan. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van vier opvolgende arbeidsovereenkomsten, in plaats van drie, omdat [verzoekster] ook vóór de eerste schriftelijke arbeidsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht voor [verweerder 1]. Dit betekent dat de laatste schriftelijke arbeidsovereenkomst, die op 1 januari 2024 inging, als een overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt beschouwd. De opzegging van deze overeenkomst door [verweerder 1] op 12 november 2024 is daarmee in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW en wordt vernietigd. Echter, het verzoek van [verzoekster] om doorbetaling van loon wordt afgewezen, omdat niet is aangetoond dat zij zich beschikbaar heeft gehouden voor werk na 31 december 2024. De proceskosten worden toegewezen aan [verzoekster], omdat [verweerder 1] overwegend ongelijk heeft gekregen.