Werkneemster trad in 2014 in dienst bij werkgever en kampte sinds 2021 met zwangerschapsgerelateerde complicaties die haar arbeidsongeschikt maakten. Na gedeeltelijke hervatting van werk en een tweede zwangerschap met soortgelijke complicaties, werd zij opnieuw arbeidsongeschikt.
De bedrijfsarts adviseerde in 2024 aangepaste werkzaamheden en opbouw in passende arbeid. Werkgever bood een beëindigingsovereenkomst aan die niet werd getekend. De loondoorbetalingsverplichting eindigde in september 2024. Het UWV weigerde ontslagtoestemming omdat volledig herstel binnen enkele maanden werd verwacht.
Werkgever gaf werkneemster meerdere keren een waarschuwing wegens niet meewerken aan re-integratie en gaf haar op staande voet ontslag in maart 2025. Werkneemster voerde aan dat ontslag onrechtmatig was omdat geen dringende reden bestond en werkgever geen passend werk had aangeboden.
De rechtbank oordeelde dat werkgever niet had bewezen passend werk te hebben aangeboden en dat werkneemster steeds had aangegeven ziek te zijn. Werkgever had een deskundigenoordeel van het UWV moeten vragen indien twijfel bestond. Het ontslag op staande voet werd daarom vernietigd. Het verzoek tot doorbetaling van loon werd afgewezen wegens ontbreken loondoorbetalingsverplichting.