In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werkneemster en haar werkgever over de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet. De werkneemster, die sinds 2014 in dienst was bij de werkgever, had te maken met langdurige ziekte door complicaties tijdens haar zwangerschappen. Ondanks dat de bedrijfsarts had aangegeven dat zij kon starten met aangepaste werkzaamheden, heeft de werkgever geen passend werk aangeboden. De werkneemster heeft herhaaldelijk aangegeven dat zij zich te ziek voelde om te werken. De werkgever heeft haar ontslagen op staande voet, stellende dat de werkneemster niet had meegewerkt aan haar re-integratieverplichtingen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat de werkgever niet had aangetoond dat zij de werkneemster passend werk had aangeboden. Bovendien had de werkgever, indien er twijfels waren over de re-integratie, een deskundigenoordeel bij het UWV moeten aanvragen. De kantonrechter vernietigde het ontslag en wees de verzoeken van de werkneemster tot doorbetaling van loon af, omdat er geen loondoorbetalingsverplichting meer bestond. De proceskosten werden toegewezen aan de werkgever, die overwegend ongelijk kreeg.