ECLI:NL:RBZWB:2025:5021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
C/02/11420860 CV EXPL 24-5912
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 lid 3 RvArt. 120 lid 4 RvArt. 237 lid 1 RvArt. 3:13 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering terugbetaling kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende onderbouwing

De vrouw vordert betaling van een bedrag van €5.066,- van de man wegens terugvordering van teveel ontvangen kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst. Zij baseert haar vordering primair op ongerechtvaardigde verrijking en subsidiair op redelijkheid en billijkheid.

De man voert verweer dat de vrouw zonder zijn medeweten toeslag heeft aangevraagd en dat hij geen voordeel heeft gehad. Hij betwist dat zijn inkomen hoger was dan opgegeven en stelt dat de vrouw de facturen betaalde. Ook betwist hij het bestaan van een stilzwijgende overeenkomst over terugbetaling.

De kantonrechter oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de man is verrijkt en dat het inkomen van de man hoger was dan opgegeven. Ook is niet vastgesteld dat er een overeenkomst was om samen de terugbetaling te dragen. De vordering wordt daarom afgewezen.

Daarnaast wordt de vrouw veroordeeld in de proceskosten vanwege het niet naleven van de substantiëringsplicht en het onnodig starten van de procedure zonder reactie op eerdere verweren van de man.

Uitkomst: De vordering van de vrouw wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaak-/rolnummer: C/02/11420860 CV EXPL 24-5912
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. R.G.J. van Kerkhof,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 februari 2025 en alle daarin vermelde stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 19 mei 2025. Daarbij zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Verder werd de man bijgestaan door een tolk.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:
  • zij hebben een relatie met elkaar gehad en samengewoond. De samenwoning is in 2023 geëindigd;
  • uit hun relatie is het volgende nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018 (hierna: [de minderjarige] ).

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 5.066,=, dan wel de man te veroordelen tot betaling van een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie mag vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente over het door de kantonrechter te bepalen bedrag tot aan de dag der uiteindelijke voldoening.
3.2.
De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Substantiëringsplicht
4.1.
De kantonrechter behandelt eerst het meest verstrekkende verweer van de man, namelijk dat de vrouw niet ontvankelijk dient te worden verklaard in deze procedure. De man voert hiervoor aan dat de vrouw in haar dagvaarding niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht zoals vereist op grond van artikel 111 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij heeft namelijk nagelaten haar vordering te onderbouwen en inzichtelijk te maken welke juridische grondslag zij hiervoor aanvoert. De vrouw was tevens bekend met het verweer van de man en is daar niet op ingegaan, terwijl zij dit wel had moeten doen. Dit moet er volgens de man toe leiden dat de vrouw in deze procedure niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en in de proceskosten dient te worden veroordeeld.
4.2.
De kantonrechter volgt de man in zijn standpunt dat de vrouw in haar dagvaarding, niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht. Immers, de verweren van de man waren haar bekend. Dit volgt onder andere uit de e-mail van de advocaat van de man van 17 oktober 2024 (productie 2 van de man), maar hier is niet op gereageerd en vervolgens is daar in de dagvaarding niet op ingegaan. Aan het niet naleven van de substantiëringsplicht kan de kantonrechter de gevolgen verbinden die zij geraden acht (artikel 120 lid 4 Rv Pro). In deze zaak ziet de kantonrechter aanleiding om hiermee rekening te houden bij de proceskostenveroordeling, zoals hierna vanaf rechtsoverweging 4.8 weergegeven. De kantonrechter gaat hiermee voorbij aan het standpunt van de man dat de vrouw op grond van het schenden van de substantiëringsplicht niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De zaak zal hierna eerst inhoudelijk worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De vrouw legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.
Tijdens de samenwoning van partijen hebben zij voor [de minderjarige] gebruik gemaakt van kinderopvang. Ten behoeve van de kosten van de kinderopvang hebben partijen bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag aangevraagd en bij wijze van voorschot ook ontvangen. Inmiddels blijkt dat de man in 2021 en 2022 fors meer inkomen heeft gegenereerd dan is opgegeven als te verwachten inkomen. Als gevolg hiervan heeft de Belastingdienst de ontvangen bedragen aan kinderopvangtoeslag teruggevorderd. Over het jaar 2021 moet een bedrag van € 2.287,= terugbetaald worden en over 2022 een bedrag van € 2.779,= (productie 5 en 6 van de vrouw). De vrouw heeft de man bij herhaling verzocht dit bedrag aan haar te betalen, maar hij weigert echter te betalen. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat de grondslag van haar vordering primair is gelegen in een ongerechtvaardigde verrijking van de man (artikel 6:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
In dit kader is namens de vrouw aangegeven dat zij is verarmd doordat zij het teveel ontvangen voorschot aan kinderopvangtoeslag aan de Belastingdienst heeft moeten terugbetalen. De man is verrijkt doordat hij zijn aandeel in de door partijen ontvangen kinderopvangtoeslag, waarvan partijen allebei het genot hebben gehad, niet terug betaalt, terwijl de reden van deze terugbetaling gelegen is in het inkomen van de man dat in die periode veel hoger bleek te zijn dan opgegeven bij de Belastingdienst. Het is verder een algemeen uitgangspunt in Nederland dat wanneer beide partijen het genot hebben van een voorziening, zij ook beiden ervoor zorg dragen dat een teveel ontvangen voorschot wordt terugbetaald. Daarbij was de noodzaak voor kinderopvang er ook. De man werkte namelijk fulltime en de vrouw nam deel aan een re-integratietraject gedurende twee tot drie dagen per week. Daarnaast bracht de man [de minderjarige] ook wel eens naar het kinderdagverblijf en haalde hem daar ook op. Er was gelet daarop ook een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen dat [de minderjarige] naar het kinderdagverblijf zou gaan. Daarbij heeft ook te gelden dat kinderopvang goed is voor de ontwikkeling van een kind. Subsidiair, legt de vrouw aan haar verzoek ten grondslag dat de man dit bedrag moet betalen gelet op de redelijkheid en billijkheid. Verder heeft de vrouw haar vordering in die zin gewijzigd dat zij nu primair vordert dat de man het gehele bedrag moet voldoen aan de vrouw, subsidiair op zijn minst de helft van het bedrag.
4.4.
De man voert gemotiveerd verweer. De vrouw heeft zonder medeweten van de man kinderopvangtoeslag aangevraagd. De man was ook niet op de hoogte van het bestaan van dergelijke toeslagen. Pas tijdens een bespreking bij de boekhouder werd de man ermee bekend dat de vrouw de kinderopvangtoeslag had aangevraagd en ontving. De boekhouder heeft de vrouw toen ook voorgehouden dat zij hier naar alle waarschijnlijkheid geen recht op had en adviseerde dit te stoppen of te wijzigen. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Door het handelen van de vrouw heeft zij niet schadebeperkend gehandeld en komt dit ex artikel 6:101 BW Pro volledig voor rekening van de vrouw. Op de mondelinge behandeling is namens de man verder betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De man ziet niet in hoe hij voordeel van de kinderopvangtoeslag zou hebben gehad. Het is de man volledig onbekend welke gegevens de vrouw heeft ingevuld bij de aanvraag van de kinderopvangtoeslag en of dat de correcte gegevens waren. De man betwist ook dat hij een hoger inkomen had in de jaren 2021 en 2022 dan in de jaren ervoor. Verder voert de man aan dat zowel de kosten voor de kinderopvang als de kinderopvangtoeslag volledig via de bankrekening van de vrouw werd betaald c.q. ontvangen. Uit de brief van de Belastingdienst waarin de terugvordering van de toeslagen wordt medegedeeld (productie 6 van de vrouw) volgt verder dat er iets veranderd is in de situatie waardoor zij de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag moet terugbetalen. Dit betekent niet automatisch dat dit een wijziging van het inkomen van de man betreft.
Tevens was er volgens de man geen enkele noodzaak voor kinderopvang. De vrouw had namelijk een WAJONG-uitkering en werkte niet, waardoor zij zelf voor [de minderjarige] had kunnen zorgen. [de minderjarige] aanmelden voor kinderopvang is de keuze van de vrouw geweest, de man had er geen belang bij. Er is volgens de man dan ook geen sprake van een stilzwijgende overeenkomst waaruit zou volgen dat de man heeft ingestemd met de aanvraag van de kinderopvangtoeslag en uiteindelijk de teveel ontvangen voorschotten zou moeten terugbetalen. Ook betwist de man dat het een algemeen uitgangspunt is in Nederland dat informeel samenlevende partners samen moeten zorgdragen voor de terugbetaling van teveel ontvangen voorschotten aan kinderopvangtoeslag. Het uitgangspunt is juist dat ieder zijn eigen aanslagen en teruggaven draagt, tenzij partijen anders afspreken. Maar nergens blijkt uit dat partijen anders hebben afgesproken. Ook wordt betwist dat in het kader van redelijkheid en billijkheid een terugbetaling moet plaatsvinden.
De vrouw was er van op de hoogte dat dat er een redelijke kans was dat zij een bedrag terug zou moeten betalen, dit is namelijk door de boekhouder aan haar verteld. Zij had gelet daarop geld moeten reserveren. Dat zij dit niet heeft gedaan moet voor rekening van de vrouw komen.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt (artikel 6:212 BW Pro). De vrouw dient hiervoor voldoende te stellen ten aanzien van de verarming (schade) aan haar zijde, de verrijking van de man, het verband tussen de verrijking en de verarming en de onrechtvaardigheid daarvan. Van verarming is sprake als vermogensbestanddelen worden onttrokken aan iemands vermogen. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat zij twee aanslagen heeft gekregen van de Belastingdienst en heeft betaald. Dit heeft volgens de kantonrechter te gelden als een verarming. De vrouw stelt verder dat de man is verrijkt, omdat hij zijn aandeel in de terugbetaling van de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag weigert te betalen aan de vrouw, terwijl hij wel voordeel heeft gehad van deze toeslagen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vrouw echter onvoldoende onderbouwd waaruit volgt dat de man een aandeel in de terugbetaling van de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag heeft en dat hij de gehele, dan wel de helft van de door de vrouw ontvangen aanslag van de Belastingdienst aan de vrouw moet betalen. Het is immers de vrouw die de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en op haar bankrekening ontvangen. Verder is niet in geschil dat de vrouw de contracten heeft gesloten met eerst een gastouder en later een kinderdagverblijf dat [de minderjarige] bezocht. Verder heeft de man onbetwist gesteld dat de vrouw de facturen van de gastouder en het kinderdagverblijf betaalde via haar bankrekening. Dat de terugbetaling het gevolg is van het inkomen van de man dat hoger is dan bij de Belastingdienst is opgegeven is naar het oordeel van de kantonrechter niet vast komen te staan. Uit de door de vrouw overgelegde brief van de Belastingdienst van 9 februari 2024 blijkt namelijk dat de wijziging in de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en daarmee dus ook de reden voor de terugbetaling, gelegen is in de gewijzigde kinderopvanggegevens. Hieruit volgt echter niet zonder meer, zoals de vrouw stelt, dat dit gelegen is in het inkomen van de man. De terugbetaling zou, zoals de man heeft aangevoerd, ook te maken kunnen hebben met andere gewijzigde omstandigheden, zoals het minder afnemen van kinderopvanguren dan doorgegeven. Tevens heeft de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende met stukken onderbouwd dat het inkomen van de man in 2021 en 2022 hoger was dan het inkomen dat is doorgegeven aan de Belastingdienst en dat hij daarmee een aandeel heeft in de terugbetaling van de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag. Wat betreft het standpunt van de vrouw dat het een algemeen uitgangspunt is in Nederland dat wanneer beide partijen het genot hebben van een voorziening, zij ook beiden ervoor zorg dragen dat een teveel ontvangen voorschot wordt terugbetaald, is de kantonrechter, mede gelet op de betwisting hiervan van de man, van oordeel dat dit niet vast staat. Partijen waren namelijk informeel samenlevers en zoals hiervoor is overwogen was de vrouw de aanvrager en ontvanger van de kinderopvangtoeslag en sloot zij ook het contract af bij de gastouder en het kinderdagverblijf.
Verder is door de vrouw ook onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen, waaruit volgt dat de man het teveel ontvangen voorschot moet terugbetalen. Naast de betwisting door de man van deze overeenkomst, is het enkele feit dat de man [de minderjarige] naar de kinderopvang bracht en hem daar ook weer ophaalde, in dat verband onvoldoende om hiermee het bestaan van een dergelijke overeenkomst aan te tonen.
In dat kader heeft de vrouw de door haar gestelde noodzaak voor kinderopvang en de daaruit volgende aanvraag van kinderopvangtoeslag, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, ook niet voldoende onderbouwd. De vrouw heeft hiertoe aangevoerd dat zij in 2021 en 2022 een re-integratietraject volgde en niet zelf voor [de minderjarige] had kunnen zorgen.
De vrouw overlegt een tweetal brieven van het UWV (productie A van de vrouw) ter onderbouwing van dit standpunt. Hieruit volgt echter dat het UWV zowel in de brief van
4 augustus 2022 als die van 5 september 2023 de vrouw informeert over het starten van een re-integratietraject via twee verschillende re-integratiebedrijven. Hieruit kan de kantonrechter niet afleiden of de vrouw in 2021 en 2022 al daadwerkelijk een re-integratietraject volgde waardoor zij niet voor [de minderjarige] kon zorgen, nog daargelaten dat niet duidelijk is in hoeverre dit een onderbouwing is van de gestelde ongerechtvaardigde verrijking. Dit geldt ook voor de stelling van de vrouw dat het goed is voor de ontwikkeling van een kind dat hij naar het kinderopvangverblijf gaat. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking.
4.6.
Subsidiair grondt de vrouw haar vordering op de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is echter van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die ertoe moeten leiden dat de man het geheel, dan wel een deel van het teveel ontvangen voorschot aan kinderopvangtoeslag moet terugbetalen aan de vrouw. Ook in dit kader voert de vrouw aan dat het een algemeen uitgangspunt is in Nederland dat wanneer beide partijen het genot hebben van een voorziening, zij ook beiden ervoor zorg moeten dragen dat een teveel ontvangen voorschot wordt terugbetaald. Zoals hiervoor al is overwogen staat dat naar het oordeel van de kantonrechter niet vast. Namens de vrouw zijn verder geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd anders dan in rechtsoverweging 4.5., zodat de kantonrechter ook voorbij gaat aan de subsidiaire grondslag voor de vordering van de vrouw.
4.7.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter de vordering van de vrouw zal afwijzen.
Proceskosten
4.8.
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw, gelet op de onvolledigheid van de vordering en het onnodige karakter van de procedure, veroordeeld moet worden in de proceskosten. De vrouw heeft in haar dagvaarding niet voldaan aan haar substantiëringsplicht, zoals vereist op grond van artikel 111 lid 3 Rv Pro. Ook heeft de vrouw volgens de man misbruik van bevoegdheid gemaakt. De man heeft voorafgaand aan de procedure een verzoek bij de vrouw neergelegd om met een onderbouwing en een juridische grondslag voor haar vordering te komen. Hier is geen inhoudelijk bericht van de vrouw op gekomen, enkel een dagvaarding waarin ook geen juridische grondslag is opgenomen voor haar vordering. De man wordt zo onnodig op kosten gejaagd. Het zonder (benoeming van) een wettelijke grondslag een (onvolledige) procedure aanhangig maken kwalificeert als misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:13 BW Pro.
4.9.
De vrouw heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij in eerste instantie heeft geprobeerd het geschil in onderling overleg op te lossen. Het is dan niet helpend om in juridische grondslagen te verzanden. Daarnaast is op de mondelinge behandeling alsnog aangevoerd op welke juridische grondslagen haar vordering is gebaseerd, zodat de man hierop kan reageren.
4.10.
De kantonrechter stelt voorop dat de hoofdregel inzake proceskosten volgt uit artikel 237 lid 1 Rv Pro: de in het ongelijk gestelde partij dient in de proceskosten te worden veroordeeld maar de rechter heeft de bevoegdheid om hiervan af te wijken door de proceskosten geheel dan wel gedeeltelijk te compenseren. In zaken tussen ex-partners wordt in het algemeen besloten tot compensatie van kosten, wat inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De gedachte daarachter is dat deze zaken vaak gepaard gaan met persoonlijke en relationele moeilijkheden. De redelijkheid en billijkheid brengen met zich mee dat dan niet te snel tot een kostenveroordeling van een der partijen wordt overgegaan.
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter dient van dit laatste uitgangspunt te worden afgeweken en zij overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 111 lid 3 Rv Pro dienen in de dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor te worden vermeld, alsmede de reactie van eiseres daarop (de substantiëringsplicht). Naar het oordeel van de kantonrechter zijn namens de vrouw de aangevoerde verweren van de man niet of nauwelijks opgenomen in de dagvaarding, temeer nu uit het overgelegde e-mailbericht van de advocaat van de man van 17 oktober 2024 (productie 2 van de man) blijkt dat namens hem uitgebreid is gereageerd op de vordering van de vrouw. Hier is in of buiten rechte geen reactie op gegeven. Daarbij zag dit verweer van de man op het niet noemen van een juridische grondslag en naar het oordeel van de kantonrechter zou dit, ook zonder het verweer van de man, al onderdeel moeten zijn van de vordering van de vrouw. Vervolgens is in de dagvaarding ook niet ingegaan op enige juridische grondslag. Op de mondelinge behandeling is verder gebleken dat op het eerder genoemde e-mailbericht van de advocaat van de man niet is gereageerd van de zijde van de vrouw, maar dat kort daarna de dagvaarding is uitgebracht. Daaruit leidt de kantonrechter af dat, in tegenstelling tot wat namens de vrouw is aangevoerd, niet is geprobeerd om dit geschil in onderling overleg op te lossen alvorens een procedure te starten. Zoals eerder in rechtsoverweging 4.2. aangegeven kan aan het niet naleven van de substantiëringsplicht door de kantonrechter de gevolgen verbinden die zij geraden acht (artikel 120 lid 4 Rv Pro). De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de vrouw veroordelen in de kosten van deze procedure. Het beroep op 3:13 BW laat de kantonrechter onbesproken.
4.11.
Deze proceskosten worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 678,= (2 punten x € 339,=)
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.
4.12.
Conform het liquidatietarievenbesluit zijn nakosten toewijsbaar zijn als er een volledige proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden. Nu dit het geval is, wijst de kantonrechter de gevorderde nakosten toe vermeerderd met de wettelijke rente, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en de vrouw niet vrijwillig binnen veertien dagen na aanschrijving door de man aan de proceskostenveroordeling uit het vonnis heeft voldaan. De nakosten zullen worden begroot conform het liquidatietarievenbesluit op € 135,00. Dit bedrag wordt vermeerderd met betekeningkosten van het vonnis indien het vonnis na de hiervoor genoemde termijn is betekend.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering van de vrouw af;
5.2.
veroordeelt de vrouw in de kosten van dit geding, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 678,=, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening, in het geval de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt de vrouw in de nakosten begroot op € 135,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling, vermeerderd met de betekeningskosten van het vonnis indien het vonnis na veertien dagen wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.