ECLI:NL:RBZWB:2025:5037

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/437684 / JE RK 25-1287
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 23 juli 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een nadere beschikking gegeven over de voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2017. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De ouders van de minderjarige, die gehuwd zijn en gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, zijn betrokken bij de procedure. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de thuissituatie van de minderjarige, die grenzeloos gedrag vertoont en onvoldoende emotionele en fysieke veiligheid ervaart. De moeder vertoont verward gedrag en heeft waanideeën, wat de situatie van de minderjarige verder compliceert. De kinderrechter heeft besloten de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen, met ingang van 24 juli 2025 en tot 10 oktober 2025. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de noodzakelijke zorg voor de minderjarige kan worden geboden. De ouders hebben aangegeven het eens te zijn met de ondertoezichtstelling, maar zijn het niet eens met de uithuisplaatsing. De kinderrechter heeft benadrukt dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk is voor de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/437684 / JE RK 25-1287
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder](hierna: de moeder) en
[de vader](hierna: de vader),
hierna samen genoemd: de ouders,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING REGIO WEST,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 10 juli 2025 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat en bijgestaan door een tolk in de Roemeense taal, mevrouw [naam] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gehuwd en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 juli 2025 is [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbende(n), voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering gesteld met ingang van 10 juli 2025 en tot
24 juli 2025. Tevens heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 10 juli 2025 en tot 24 juli 2025, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.3.
Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 10 juli 2025 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en tot het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 24 juli 2025 en tot 10 oktober 2025.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar het verzoekschrift. De maatregelen blijven nodig. Er zijn zorgen over de thuissituatie van [minderjarige] en over [minderjarige] zelf. Zo ervaart zij in de thuissituatie onvoldoende emotionele en fysieke veiligheid en is er sprake van kindeigenproblematiek en een ontwikkelingsachterstand. [minderjarige] laat grenzeloos gedrag zien en is richting de ouders verbaal en fysiek agressief. Verder heeft de moeder last van waanbeelden. Zij heeft het idee dat zij en [minderjarige] worden achtervolgd en heeft de elektriciteitsdraden doorgeknipt. Mede door het functioneren van de moeder is [minderjarige] in een isolement geraakt met als gevolg dat zij zich niet op een gezonde manier kan ontwikkelen. De hulpverlening in het vrijwillig kader is niet van de grond gekomen. Tot slot benoemt de Raad de informatie van de GI zorgelijk te vinden. [minderjarige] kan nu niet naar huis.
4.2.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. [minderjarige] is bij de crisisgroep [accommodatie] geplaatst, waarbij zij gelet op haar grenzeloze gedrag één op één begeleiding krijgt. Het gedrag van [minderjarige] is zorgelijk, maar [minderjarige] lijkt tot rust te komen, oogt vrolijk en er wordt een vooruitgang gezien. Zo is door [accommodatie] aangegeven dat [minderjarige] in het begin op een onrustige en dierlijke manier at, maar dat gaat nu al beter. Het lijkt erop dat het zorgwekkende gedrag van [minderjarige] kan worden bijgesteld, mits [minderjarige] voldoende wordt begeleid en krijgt aangeleerd hoe dingen moeten. De GI vermoedt dat er ook sprake is van kindeigenproblematiek. Vanwege de handelingsverlegenheid van [accommodatie] is er ook een psycholoog vanuit [hulpverlening 1] betrokken. [minderjarige] kan op 28 juli 2025 naar de 24-uurs voorziening van [kinderopvang] , welke voorziening ook de benodigde begeleiding gericht op het syndroom van Asperger aan [minderjarige] kan bieden. De GI wil [minderjarige] twee weken laten stabiliseren, waarbij er onder begeleiding videobelcontact met de ouders zal zijn. Na die twee weken zal de GI bekijken of en hoe de bezoekmomenten kunnen worden vormgegeven. Hierbij benoemt de GI dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij haar vader wil zien, maar haar moeder niet. Ook heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven dat zij niet terug naar [woonplaats] wil. Onduidelijk is nog waarom. Tot slot benoemt de GI dat er dagelijks contact met de ouders is en dat de ouders goed meewerken en de benodigde informatie verschaffen.
4.3.
De advocaat heeft namens de ouders aangegeven dat de ouders het eens zijn met de voorlopige ondertoezichtstelling en dat de ouders bereid zijn om hieraan mee te werken. Zij zien in dat er dingen geregeld moeten worden, maar dat dat mede door de taalbarrière moeizaam van de grond komt. De ouders zijn het niet eens met de uithuisplaatsing.
De ouders hebben zelf nog aangevuld dat zij [minderjarige] sinds de uithuisplaatsing niet mochten zien of spreken. Zij missen [minderjarige] en maken zich zorgen om haar. Het moment dat [minderjarige] uit huis is geplaatst is voor de ouders erg onduidelijk geweest; het ging erg snel en niemand heeft zich gelegitimeerd. De ouders snapten niet wat er gebeurde en zij waren bang. Verder is [minderjarige] een vrolijk meisje en is er geen sprake geweest van een isolement. Wel erkennen de ouders dat [minderjarige] verbaal en fysiek gedrag vertoont en benoemen dat [minderjarige] het syndroom van Asperger heeft. Dat is ook de reden waarom [minderjarige] (gedrags)therapie moet volgen. De ouders willen dat [minderjarige] naar huis komt. Als dat niet kan, willen zij [minderjarige] vaker en/of in het weekend zien. Tot slot benoemt de moeder nog dat [minderjarige] een ontstoken kies heeft waarvoor zij naar de tandarts moet en dat haar paspoort binnenkort verloopt.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Nu de ouders en [minderjarige] de Roemeense nationaliteit hebben, dient de kinderrechter te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.
5.3.
Aangezien de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Bij beschikking van 10 juli 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 10 juli 2025 en tot 24 juli 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). De belanghebbende(n) zijn tijdens de mondelinge behandeling op 23 juli 2025 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
5.5.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 10 juli 2025 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing niet wordt herroepen en daarmee zijn werking dient te behouden.
Wettelijk kader
5.6.
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.7.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.8.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.9.
De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toewijzen, te weten met ingang van 24 juli 2025 en tot 10 oktober 2025. Hij legt dit hierna uit.
5.10.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen over de opvoedsituatie en het welzijn van [minderjarige] zijn. Het lukt de ouders onvoldoende om fysieke en emotionele veiligheid aan [minderjarige] te bieden en [minderjarige] vertoont grenzeloos gedrag. Zij is fysiek en verbaal agressief, slaat haar ouders, gooit met spullen en praat veelal door anderen heen, waarbij het de ouders niet of onvoldoende lukt om [minderjarige] te corrigeren. Er is sprake van kindeigenproblematiek en een ontwikkelingsachterstand. [minderjarige] gaat al een langere tijd niet meer naar school en/of dagbesteding, omdat de moeder haar thuis houdt uit angst voor seksueel misbruik en pedofielen. Verder zijn er zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder, zo vertoont zij verward gedrag en heeft zij waanideeën, en is er sprake van beïnvloeding hierdoor op [minderjarige] . Door de psychische gesteldheid van de moeder groeit [minderjarige] geïsoleerd op. De vader werkt veelal en heeft geen grip op de opvoedsituatie van [minderjarige] en de psychische toestand van de moeder. Verder is het de ouders niet gelukt, ook niet met behulp van [hulpverlening 2] en [hulpverlening 3] , om de ernstige zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De moeder weigert mee te werken aan de hulpverlening en laat agressief en seksueel grensoverschrijdend gedrag richting de hulpverleners zien. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zelfstandig de ernstige zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt daarom dat een voorlopige ondertoezichtstelling en daarmee de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen. Daarnaast biedt deze maatregel de mogelijkheid om nader onderzoek te doen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er in de komende periode meer duidelijkheid komt, waaronder over de uitspraken van [minderjarige] dat zij niet terug naar [woonplaats] wil en dat zij haar moeder niet wil zien. Verder vindt de kinderrechter het belangrijk dat ouders met de Raad en de GI blijven samenwerken en dat zij informatie met elkaar blijven uitwisselen.
5.11.
Nu het de ouders in de thuissituatie onvoldoende lukt om aan [minderjarige] fysieke en emotionele veiligheid te bieden, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] nu niet kan terugkeren naar de ouders. Bij [accommodatie] wordt aan de [minderjarige] de benodigde rust, stabiliteit en één op één begeleiding geboden en wordt er een vooruitgang bij [minderjarige] gezien. Vanaf 28 juli 2025 kan [minderjarige] bij de 24-uurs voorziening van [kinderopvang] terecht, waar zij één op één begeleiding zal krijgen mede gericht op het syndroom van Asperger. Een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is noodzakelijk om het verblijf van [minderjarige] tot 28 juli 2025 bij [accommodatie] en vanaf 28 juli 2025 bij [kinderopvang] te kunnen borgen. Hierbij weegt de kinderrechter ook mee dat [minderjarige] bij de GI heeft aangegeven dat zij niet terug naar [woonplaats] wil. De betrokkenheid van de GI is noodzakelijk, zodat de uithuisplaatsing van [minderjarige] kan worden opgevolgd en kan worden bezien of [kinderopvang] – indien nodig – voor de langere termijn ook een geschikte plek is. Als dat het geval is, verwacht de kinderrechter dat de Raad tijdig een verzoek bij de rechtbank indient. Aan de GI geeft hij nog mee dat de komende periode moet worden bekeken of en hoe het contact tussen [minderjarige] en de ouders kan worden vormgegeven.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
Tegen de beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. De kinderrechter zal het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing daarom afwijzen.
5.13.
De kinderrechter zal de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 24 juli 2025 en tot 10 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 juli 2025 en tot 10 oktober 2025;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 1 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.