ECLI:NL:RBZWB:2025:5038

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/437206 / JE RK 25-1190
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in een complexe gezinscontext

Op 23 juli 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen en hen bij de grootouders te plaatsen. De ouders, die het ouderlijk gezag over de kinderen hebben, zijn belast met de zorg voor de kinderen, maar de situatie is gecompliceerd door een loyaliteitsconflict tussen de ouders en de grootouders. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen en dat er een acute en ernstige bedreiging voor hen bestaat. De ouders hebben tijdens de procedure aangegeven dat zij het niet eens zijn met de plaatsing van de kinderen, wat de situatie verder bemoeilijkt. De kinderrechter heeft besloten om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland en hen bij de grootouders te plaatsen, met als doel de stabiliteit en veiligheid van de kinderen te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de maatregelen onmiddellijk van kracht zijn, ondanks mogelijke hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/437206 / JE RK 25-1190
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder](hierna: de moeder) en
[de vader](hierna: de vader),
hierna samen genoemd: de ouders,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de grootouders],
hierna te noemen: de grootouders,
wonende te [woonplaats 2] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
locatie Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2025. De kinderrechter heeft de zaken vanwege de inhoudelijke samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/437211 / JE RK 25-1192 behandeld. Op zaaknummer C/02/437211 / JE RK 25-1192 wordt bij separate beschikking beslist.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling op 23 juli 2025 zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de grootouders;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven op zowel het adres van de ouders als het adres van de grootouders moederszijde.
2.3.
Feitelijk gezien wonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders in [woonplaats 2] .
2.4.
Bij beschikking van 5 juli 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 juli 2024 en tot 5 oktober 2024. Ook is er bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend bij de grootouders moederszijde ( [de grootouders] ), met ingang van 5 juli 2024 en tot 5 oktober 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 26 september 2024 is de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders moederszijde ( [de grootouders] ) verlengd tot 5 juli 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. Het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is eerder door de hulpverlening bij de grootouders bepaald. Gezien het verloop van de toetsing door de Raad stelt de Raad dat de ouders onvoldoende emotionele toestemming aan de kinderen geven om bij de grootouders op te groeien. Anders dan voorheen hebben de ouders tijdens de toetsing aangegeven dat zij het niet eens zijn met de plaatsing van de kinderen. Dit maakt dat de plaatsing onder druk staat en dat de maatregelen nog steeds nodig zijn. De Raad vindt het belangrijk dat er naar de kinderen wordt geluisterd, maar merkt op dat dit een situatie is waarin de kinderen nog niet zelf kunnen beslissen. Het is aan de ouders en de opvoeders om in deze situatie beslissingen in het belang van de kinderen te nemen. Het is in het belang van de kinderen als iedereen dezelfde boodschap naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitdraagt en dat is dat de kinderen bij de grootouders mogen opgroeien, waarbij er een fijn contact tussen de ouders en de kinderen is en er duidelijke afspraken over de zorgregeling zijn.
4.2.
De GI benoemt dat zij de afgelopen weken geen formele betrokkenheid hebben gehad, nu de maatregelen zijn verlopen. Gezien het verloop van de toetsing door de Raad staat de GI achter het verzoek van de Raad. De maatregelen blijven nodig. Verder ziet de GI het belang van het vaststellen van een zorgregeling in, zodat er duidelijkheid is.
4.3.
Namens de ouders heeft de advocaat allereerst toegelicht dat de escalatie tijdens de toetsing door de Raad een eenmalig incident is als gevolg van een opstapeling van frustraties. De ouders voelen zichzelf en de kinderen niet gehoord als het gaat om de zorgregeling. Zo was de hulpverlening niet bereid om in overleg met de ouders te gaan om te voorkomen dat de kinderen en de ouders elkaar langere tijd niet zouden zien en er was veel onduidelijkheid. De ouders hebben vervolgens uit emotie gezegd dat zij de kinderen zullen ophalen, maar dat is in de afgelopen weken niet gebeurd en dat zal ook niet gebeuren. Verder heeft de advocaat bepleit dat de kinderrechter op grond van de verordening Brussel II-ter niet bevoegd is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan zowel in Nederland als in België ingeschreven, maar zij verblijven al langere tijd bij de grootouders in België en dat is de gewone verblijfplaats van de kinderen. Subsidiair verzoekt de advocaat het verzoek af te wijzen, nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Er is geen sprake van een acute en ernstige bedreiging voor de kinderen. De situatie is al jaren onveranderd. Daarbij komt dat de GI de situatie aanvankelijk goed genoeg vond om de maatregelen te beëindigen en dat de GI eerder heeft aangegeven dat de maatregel in België niet uitvoerbaar is. Het heeft dan ook geen meerwaarde als de GI betrokken is. Als het verzoek wordt toegewezen, is het van belang dat er een zorgregeling wordt vastgelegd. De kinderen en de ouders willen elkaar vaker zien. Mogelijk kan pleegzorg hierbij helpen.
De vader heeft aangevuld dat de ouders het belangrijk vinden dat er in het belang van de kinderen wordt gehandeld. Daarvoor is het nodig dat er naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt geluisterd. Dat de ouders niet achter de plaatsing staan, is door de instanties uit de context getrokken. De ouders zullen nooit de kinderen ophalen, maar hebben wel altijd gezegd dat er overleg nodig is als de kinderen aangeven dat zij naar huis willen en dat is nu het geval.
4.4.
De grootouders benoemen dat zij de situatie liever anders hadden willen zien, maar dat zij met alle liefde voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgen. Het welzijn van de kinderen is het belangrijkste en de grootouders stimuleren het positieve contact van de kinderen met de ouders. Verder is de pleegzorg in België nauw betrokken, hebben de grootouders cursussen gevolgd en praten de kinderen om de twee weken met de kinderpsycholoog. De grootouders zien de escalatie tijdens de toetsing door de Raad niet als een eenmalig incident. Het verloopt al langere tijd moeizaam en de sfeer is gespannen. Verder is er tot september 2025 een zorgregeling vastgesteld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn ten tijde van de mondelinge behandeling op kamp, maar aanstaande vrijdag zal er weer contact tussen de kinderen en de ouders zijn.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat volgens de basisregistratie personen de ouders en de kinderen de Belgische nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Nu de maatregelen tot voor kort liepen (tot 5 juli 2025) en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot voor kort door de Nederlandse kinderrechter middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders in België zijn geplaatst en de gezaghebbende ouders in Nederland wonen en staan ingeschreven, komt de Nederlandse kinderrechter nog steeds rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
5.4.
Ingevolge artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.5.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.6.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.7.
De kinderrechter zal het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen, te weten met ingang van 23 juli 2025 en tot 23 oktober 2025. Ook zal hij het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders toewijzen met ingang van 23 juli 2025 en tot 23 oktober 2025. De kinderrechter legt dit hierna uit.
5.8.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders zijn verlopen. Deze maatregelen liepen tot 5 juli 2025. De GI was voornemens om de maatregelen te beëindigen, nu de ouders hadden aangegeven dat zij - hoe moeilijk zij het ook vinden - achter de plaatsing van de kinderen bij de grootouders staan. Tijdens de toetsing door de Raad is de situatie geëscaleerd en is gebleken dat de ouders niet achter de plaatsing van de kinderen staan. Van die escalatie is [minderjarige 1] getuige geweest. Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn en dat er sprake is van een acute en ernstige bedreiging voor de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten klem in een loyaliteitsconflict tussen de ouders en de grootouders. Er is sprake van een moeizame samenwerking tussen de ouders en de grootouders en zij dragen naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet dezelfde boodschap uit als gevolg waarvan er onduidelijkheid voor de kinderen ontstaat. De kinderrechter stelt verder vast dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zelfstandig de ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Hij vindt daarom dat een voorlopige ondertoezichtstelling en daarmee de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om de acute en ernstige bedreiging voor de kinderen weg te nemen. Verder overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langere tijd bij de grootouders in België wonen en dat deze plek voor de kinderen veilig is. Het is de kinderrechter gebleken dat de thuissituatie van de ouders door de hulpverlening als onvoldoende stabiel wordt ingeschat en dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eerder door de hulpverlening bij de grootouders is bepaald. Gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor nu niet kunnen terugkeren naar de ouders. Hij acht het in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen dat zij hun veilige en stabiele basis bij de grootouders behouden. Een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders is, mede gezien de escalatie tijdens de toetsing door de Raad, noodzakelijk om het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders te kunnen borgen.
5.9.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat de ouders en de grootouders met de hulpverlening, de GI en elkaar samenwerken en dat alle volwassenen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] handelen. Hiervoor is het nodig dat alle volwassenen dezelfde boodschap naar de kinderen uitdragen. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weten dat zij bij de grootouders zullen opgroeien en dat de ouders hiervoor emotionele toestemming aan de kinderen geven. Dit om ervoor te zorgen dat de kinderen niet langer klem zitten tussen de ouders en de grootouders. Hierbij vindt de kinderrechter het ook van groot belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een fijn contact met de ouders hebben. In dat kader geeft de kinderrechter aan de GI mee dat er duidelijke afspraken over de zorgregeling moeten komen, zodat er rust en duidelijkheid komt. Verder begrijpt de kinderrechter de mogelijke overdracht naar de hulpverlening in België, maar dan moeten er eerst duidelijke afspraken worden gemaakt en moet iedereen weten wat ieders rol is. Het is aan de GI om hier de komende periode naartoe te werken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
Tegen de beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. De kinderrechter zal het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing daarom afwijzen.
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing ten aanzien van het verzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2025 en tot 23 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders moederszijde ( [de grootouders] ) met ingang van 23 juli 2025 en tot 23 oktober 2025;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 1 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.