ECLI:NL:RBZWB:2025:5039

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/436703 / JE RK 25-1113
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van een minderjarige met ernstige ontwikkelingsbedreiging

Op 23 juli 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een beschikking gegeven in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2008. De kinderrechter heeft de Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI) verzocht om de ondertoezichtstelling van de minderjarige te verlengen tot zijn meerderjarigheid. De moeder en de oom van de minderjarige zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de kinderrechter constateert dat er een ernstige ontwikkelingsbedreiging is. De moeder erkent de verstandelijke beperking van de minderjarige niet, wat leidt tot een risico op overvraging. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder overbelast is en dat er psychische problematiek speelt. De GI heeft aangegeven dat het noodzakelijk is dat zij betrokken blijft om ervoor te zorgen dat de minderjarige op een adequate manier naar Frankrijk kan verhuizen. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling verlengd tot de meerderjarigheid van de minderjarige, met ingang van 26 juli 2025 tot de geboortedatum in 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de beslissing onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook in het geval van hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436703 / JE RK 25-1113
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] .
[de oom],
hierna te noemen: de oom,
wonende in [woonplaats 2] ( [land] ).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • een vertegenwoordigster van de GI.
De oom is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de oom wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de oom zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 26 juli 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 juli 2023 en tot 26 juli 2024.
2.4.
Bij beschikking van 1 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 1 februari 2024 en tot 6 mei 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 3 mei 2024 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afgewezen.
2.6.
Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 26 juli 2024 en tot 26 juli 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot zijn meerderjarigheid en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd en het lukt de moeder en de oom onvoldoende om zijn belang voorop te zetten en de benodigde zaken voor [minderjarige] te regelen. Nu de moeder ontkent dat [minderjarige] verstandelijk beperkt is, bestaat het risico dat [minderjarige] wordt overschat in zijn mogelijkheden als gevolg waarvan hij mogelijk te snel naar Frankijk zal verhuizen zonder dat er een goed plan is en de juiste instanties zijn betrokken. De komende periode wil de GI middels een psychologisch onderzoek beter zicht krijgen op het functioneren van [minderjarige] en ervoor zorgen dat er door het departement een indicatie wordt afgegeven om [minderjarige] in Frankrijk te kunnen plaatsen op een dagbesteding voor mensen met een handicap.
4.2.
De moeder geeft aan dat zij het niet eens is met het verzoek van de GI. Nadat door de kinderrechter en de GI is uitgelegd dat de ondertoezichtstelling er onder meer voor is om [minderjarige] en de moeder te helpen en ervoor te zorgen dat [minderjarige] naar Frankrijk kan verhuizen, geeft de moeder aan dat zij het begrijpt. Zij heeft verder naar voren gebracht dat zij erg ziek is. De moeder heeft het zwaar in Nederland en voelt zich niet op haar gemak. Zij begrijpt de taal niet, is niet tevreden met haar woning, heeft veel zorgen, is gefrustreerd en heeft het gevoel dat zij er alleen voor staat. Zij is moe. De moeder wil het goed doen voor [minderjarige] en gunt hem een fijne toekomst. Zij wil dat [minderjarige] naar Frankrijk gaat, zodat zij daarna zelf ook naar Frankrijk kan verhuizen. De moeder denkt dat het in Frankrijk beter zal zijn dan in Nederland. De moeder ontkent dat [minderjarige] gehandicapt is, net als dat zij ontkent dat [minderjarige] specialistische begeleiding nodig heeft.
5.
De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog onverminderd aanwezig is. Doordat de moeder de verstandelijke beperking van [minderjarige] niet erkend, wordt er in de thuissituatie teveel van [minderjarige] verwacht en is er sprake van een risico op overvraging. Dit terwijl [minderjarige] gelet op zijn beperking juist meer behoefte heeft aan structuur, ondersteuning en bescherming dan leeftijdsgenoten. De moeder kan dit niet aan [minderjarige] bieden. Zij is overbelast en er is sprake van psychische problematiek. De moeder vindt de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zwaar en heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven dat zij moe is. Zij wil dat [minderjarige] bij de oom in Frankrijk gaat wonen. Om dit te bewerkstelligen, heeft de GI in de afgelopen periode de Centrale Autoriteit ingeschakeld. Nu zowel de moeder als de oom van [minderjarige] de beperking van [minderjarige] niet altijd goed lijken in te kunnen schatten en het de moeder en de oom niet zelfstandig lukt om de benodigde zaken voor [minderjarige] te regelen, vreest de GI ervoor dat [minderjarige] wordt overschat en dat hij zonder de betrokkenheid van de GI te snel naar Frankrijk zal verhuizen zonder dat er een goed plan ligt en/of de juiste instanties betrokken zijn. Om ervoor te zorgen dat [minderjarige] op een adequate manier naar Frankrijk kan verhuizen en de benodigde zaken worden regelen, is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI betrokken blijft. Gelet daarop zal de kinderrechter het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur tot aan zijn meerderjarigheid, te weten met ingang van 26 juli 2025 en tot [geboortedag] 2026.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 26 juli 2025 en tot [geboortedag] 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 1 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.