Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
Bij het karakter van art. 10a Opiumwet als zelfstandig voorbereidings- of bevorderingsdelict past echter niet om daaronder ook handelingen te rubriceren die zijn verricht na afloop van het voltooien van het voor te bereiden of te bevorderen delict. Dat wordt, voor de in het onderhavige geval in het geding zijnde handelingen, ook geïllustreerd door het bestanddeel: (waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden) dat die voorwerpen “bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.
Voor zover het hof met de woorden “Degene die dergelijke materialen of voorwerpen, die kennelijk gebruikt zijn bij de productie van verdovende middelen, voorhanden heeft, (...)” tot uitdrukking heeft gebracht dat ook van strafbare bevorderingshandelingen sprake is nadat de productie van de verdovende middelen reeds was voltooid, getuigt zijn oordeel gelet op het vorenstaande van een onjuiste rechtsopvatting.
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 januari 2025;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 januari 2025;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 januari 2025;
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder 1 tenlastegelegde feit;
een gevangenisstraf van 42 maanden;