In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 juli 2025, is een verzoek tot beschikking inzake minderjarigen ingediend door de vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. R.A.W. van Oudheusden. De man, vertegenwoordigd door mr. S. Klootwijk, was de tegenpartij. Het verzoek, dat op 20 maart 2025 was ingediend, betrof de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Tijdens de procedure heeft de vrouw op 21 mei 2025 via een F9-formulier laten weten dat zij haar verzoek introk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw geen belang meer had bij een beslissing op haar verzoek, wat leidde tot de afwijzing van het verzoek. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat, gezien de relatie tussen de partijen en de betrokkenheid van hun kinderen, de proceskosten gecompenseerd moesten worden. Dit houdt in dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, Van Beijsterveldt, en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, binnen drie maanden na de uitspraak.