ECLI:NL:RBZWB:2025:5066

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
4 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/430744 / FA RK 25-186
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag van de draagmoeder en benoeming van de wensouders tot voogden over de minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de beëindiging van het gezag van de draagmoeder over de minderjarige [minderjarige 1] en de benoeming van de wensouders tot voogden. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 9 januari 2025 een verzoek ingediend tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder, die de Georgische nationaliteit heeft, en tot benoeming van de wensouders, die de Nederlandse nationaliteit hebben, als voogden over [minderjarige 1]. De rechtbank heeft vastgesteld dat de draagmoeder niet in de procedure is verschenen en dat zij geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de draagmoeder, ondanks haar intenties, niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen binnen een aanvaardbare termijn. De wensouders hebben [minderjarige 1] vanaf haar geboorte verzorgd en opgevoed en zijn bereid om de voogdij op zich te nemen. De rechtbank heeft het verzoek van de Raad toegewezen en het gezag van de draagmoeder beëindigd, terwijl de wensouders tot voogden zijn benoemd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de wensouders onmiddellijk beslissingen over [minderjarige 1] kunnen nemen, ondanks een eventueel hoger beroep.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/430744 / FA RK 25-186
datum uitspraak: 23 juli 2025
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad,
locatie Rotterdam,
over de minderjarige:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2024, hierna te noemen [minderjarige 1] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de draagmoeder], hierna te noemen de draagmoeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de wensmoeder], hierna te noemen de wensmoeder,
en
[de wensvader], hierna te noemen de wensvader,
samen te noemen de wensouders,
wonende te [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Middelburg.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 9 januari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het e-mailbericht van de Raad d.d. 17 februari 2025;
- de oproep van de draagmoeder in de Staatcourant d.d. 10 maart 2025;
- het e-mailbericht van de Raad d.d. 16 juni 2025;
- de door de wensmoeder ter zitting overgelegde verklaring van de draagmoeder d.d. 13 september 2024.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 18 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen een vertegenwoordigster van de Raad, de wensouders en een vertegenwoordigster van de GI.
De rechtbank stelt vast dat de draagmoeder op juiste wijze is opgeroepen. Zij is niet in de procedure verschenen.

2.De feiten

2.1
Op [geboortedag 1] 2024 is de tweeling [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te [woonplaats 1] geboren door middel van hoogtechnologisch draagmoederschap.
2.2
[minderjarige 2] is op [datum] 2024 in [plaats] overleden.
2.3
[minderjarige 1] verblijft sinds 3 november 2024 bij de wensouders in Nederland.
2.4
Bij beschikking van 5 november 2024 heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] voor de periode van twee weken, met ingang van 5 november 2024 en tot 19 november 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5
Bij beschikking van 14 november 2024 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] met ingang van 19 november 2024 en tot 5 februari 2025. Daarbij is verstaan dat deze maatregel van rechtswege vervalt na expiratie van voormelde termijn, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechter een voorziening in het gezag over [minderjarige 1] is verzocht.
2.6
Op 9 januari 2025 heeft de Raad een verzoek tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder alsmede tot benoeming van een voogd over [minderjarige 1] ingediend met als gevolg dat de voornoemde voogdijmaatregel zijn werking heeft behouden.
2.7
De draagmoeder heeft de Georgische nationaliteit. De wensouders de Nederlandse. [minderjarige 1] is staatloos.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de draagmoeder over de minderjarige [minderjarige 1] te beëindigen. Hij heeft daarbij het advies gegeven om de wensouders, de heer [de wensvader] en mevrouw [de wensmoeder] , te benoemen tot voogden over [minderjarige 1] . Daarbij wordt tevens verzocht de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1
De Raad vindt beëindiging van het gezag van de draagmoeder noodzakelijk, ondanks dat het de Raad niet is gelukt om haar in persoon te spreken tijdens het raadsonderzoek. De draagmoeder heeft [minderjarige 1] gedragen met de intentie om haar af te staan aan wensouders. In [geboorteplaats 1] heeft de draagmoeder naar Georgisch recht afstand gedaan van haar ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden, waardoor wensouders op de geboorteakte als ouders van [minderjarige 1] staan vermeld. Dit wordt echter niet erkend in Nederland. Naar Nederlands recht heeft de draagmoeder het gezag over [minderjarige 1] . Zij is niet betrokken in het leven van [minderjarige 1] , die vanaf haar geboorte wordt verzorgd en opgevoed door wensouders. [minderjarige 1] heeft niets te verwachten van de draagmoeder in haar hoedanigheid van ouder. Gesteld kan worden dat de draagmoeder in ieder geval emotioneel niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen binnen een voor [minderjarige 1] aanvaardbare termijn. De Raad acht nadat het gezag van de draagmoeder is beëindigd in het belang van [minderjarige 1] dat de wensouders, die tevens haar biologische ouders zijn, voortaan de belangrijke beslissingen over haar kunnen nemen. De Raad verzoekt hen dan ook te benoemen tot voogd over [minderjarige 1] . Dit is ook een logische stap richting de door hen gewenste adoptie van [minderjarige 1] . De wensouders zijn bereid zich in te zetten voor het contact tussen [minderjarige 1] en de draagmoeder en er zal sprake zijn van statusvoorlichting.
4.2
De draagmoeder heeft, hoewel zij daartoe behoorlijk in de gelegenheid is gesteld, geen verweer gevoerd. Uit de door de draagmoeder ondertekende verklaring van 13 september 2024, die door de wensouders tijdens de mondelinge behandeling is overgelegd, blijkt kort gezegd dat zij bewust het draagmoederschap is aangegaan om de wensouders hun eigen biologische kind te doen krijgen en dat de draagmoeder geen enkele aanspraak maakt op [minderjarige 1] en alle wettelijke en ouderlijke rechten over [minderjarige 1] overdraagt aan de wensouders.
4.3.
De wensouders hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij een hectische periode achter de rug hebben. Zij hebben in [geboorteplaats 1] een traject van hoogtechnologisch draagmoederschap doorlopen, zoals zij eerder gedaan hebben om ouders te worden van [naam] . De wensouders vertellen dat zij bewust opnieuw hebben gekozen voor een traject in [geboorteplaats 1] , omdat daar deze procedure met de nodige waarborgen geregeld is. De draagmoeder was zwanger van een tweeling. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn vroegtijdig geboren, [minderjarige 2] is helaas kort na zijn geboorte overleden. [minderjarige 1] wordt sinds haar geboorte door de wensouders verzorgd en opgevoed. De draagmoeder heeft een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat zij geen enkele bemoeienis met de minderjarige wenst c.q. verlangt. [minderjarige 1] heeft in die zin niets van de draagmoeder te verwachten. Wel is er af en toe contact met de draagmoeder en worden er foto’s gestuurd. De wensouders hebben informatie verzameld over de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige 1] en zijn voornemens om haar op termijn hierover voor te lichten. Door de vroeggeboorte waren er wat medische zorgen over [minderjarige 1] . Inmiddels doet zij het supergoed en ontwikkelt zij zich boven verwachting. Zij draait goed mee in het gezin van wensouders. [minderjarige 1] is het biologische kind van de wensouders en zij willen graag toewerken naar een formalisering van de afstammingsrelatie. De wensouders zijn bereid om de voogdij over [minderjarige 1] op zich te nemen, waarmee zij de bevoegdheid krijgen om (in Nederland) zaken rondom [minderjarige 1] formeel te regelen. De volgende stap voor hen is om [minderjarige 1] te mogen adopteren. Zij zijn voornemens om hiertoe een verzoek in te dienen bij de rechtbank Den Haag.
4.4.
De GI merkt dat de rust inmiddels is wedergekeerd in het gezin van wensouders. Het is namelijk een hectische periode geweest rondom de geboorte van de kinderen en het overlijden van [minderjarige 2] . De samenwerking tussen wensouders en de GI verloopt goed. Inmiddels is de zorgverzekering voor [minderjarige 1] geregeld, waardoor [minderjarige 1] de voor haar noodzakelijke medische onderzoeken kon ondergaan. De GI ziet dat wensouders enorm betrokken zijn. De GI heeft dan ook geen zorgen om de situatie van [minderjarige 1] bij wensouders. De GI acht het in het belang van [minderjarige 1] dat wensouders worden belast met de voogdij over [minderjarige 1] , zodat zij in staat zijn om zelfstandig beslissingen over haar te nemen. De wensouders zijn hiertoe prima in staat.

5.De beoordeling

Gezag
5.1
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] .
5.2
[minderjarige 1] is samen met haar tweelingbroertje [minderjarige 2] vroegtijdig op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] geboren. [minderjarige 2] is op [datum] 2024 overleden. [minderjarige 1] heeft met de wensouders in [geboorteplaats 1] verbleven totdat zij op 4 november 2024 gezamenlijk naar Nederland zijn gegaan. Ingevolge artikel 16 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996) wordt het ontstaan van het gezag over een minderjarige beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Nu [minderjarige 1] in [geboorteplaats 1] is geboren, dient in dit geval naar Georgisch recht te worden beoordeeld wie op het moment van de geboorte van [minderjarige 1] van rechtswege het gezag heeft/hebben gekregen. Naar Georgisch recht ontstaan er in het geval van draagmoederschap geen familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de draagmoeder, maar tussen het kind en de wensouder(s). Het ouderlijk gezag berust in dat geval vanaf het moment van de geboorte bij de wensouders, ongeacht of zij al dan niet met elkaar zijn gehuwd en ongeacht of zij al dan niet met elkaar samenwonen. Nu echter de familierechtelijke betrekkingen die tussen de wensouders en [minderjarige 1] naar Georgisch recht zijn ontstaan niet in Nederland worden erkend, kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank de in [geboorteplaats 1] ontstane gezagssituatie, waarbij de wensouders met het gezag zouden zijn belast, ook niet in Nederland worden erkend. Verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] van [geboorteplaats 1] naar Nederland brengt in dit geval dan ook niet met zich dat de in [geboorteplaats 1] bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid – gezag bij de wensouders – na die verplaatsing is blijven bestaan (artikel 16 HKV 1996). Vanaf het moment dat [minderjarige 1] met wensouders naar Nederland is gekomen is haar gewone verblijfplaats gewijzigd van [geboorteplaats 1] naar Nederland en wordt het gezag over [minderjarige 1] beheerst door het Nederlandse recht. Naar Nederlands recht is de draagmoeder de juridische moeder van [minderjarige 1] en heeft zij van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] gekregen.
5.3
Bij beschikking van 14 november 2024 van de kinderrechter is de GI, na een spoedbeslissing voor de duur van twee weken zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, belast met de (voorlopige) voogdij over [minderjarige 1] voor de periode vanaf 19 november 2024 en tot 5 februari 2025. Deze maatregel was dringend en onverwijld noodzakelijk omdat het gezag over [minderjarige 1] feitelijk niet werd uitgeoefend en belangrijke zaken omtrent [minderjarige 1] , zoals een ziektekostenverzekering en de inschrijving bij de gemeente, niet konden worden geregeld. De voorziening van voorlopige voogdij is (slechts) een ordemaatregel in afwachting van een definitieve voorziening in het gezag c.q. voogdij over [minderjarige 1] . De Raad heeft op 9 januari 2025 een (gewijzigd) verzoek ingediend tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder en tot benoeming in het gezag c.q. de voogdij over [minderjarige 1] . Nu dit verzoek is ingediend voor de afloopdatum van de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , loopt de voorlopige voogdij tot op heden – totdat op de verzoeken ten aanzien van het gezag is beslist – van rechtswege door.
5.4
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.5
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van misbruik van het gezag. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat het een bewuste keuze van de wensouders en de draagmoeder is geweest om, na een lange periode van ongewenste kinderloosheid bij de wensouders, de kinderwens van de wensouders via hoogtechnologisch draagmoederschap te vervullen. Aan de geboorte van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) is een uitgebreid traject voorafgegaan, waarbij de draagmoeder is gescreend en in orde is bevonden om als draagmoeder te fungeren. Daarnaast zijn de draagmoeder en de wensouders samen een draagmoederschapsovereenkomst overeengekomen. Hoewel de zwangerschap goed is verlopen, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vroegtijdig geboren en helaas is [minderjarige 2] kort na zijn geboorte overleden. [minderjarige 1] wordt vanaf haar geboorte verzorgd en opgevoed door de wensouders en zij zal verder opgroeien in Nederland, geheel volgens de intenties van zowel de draagmoeder als de wensouders. De draagmoeder heeft naar Georgisch recht afstand gedaan van haar ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden en is niet betrokken in het leven van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft van de draagmoeder in haar hoedanigheid van ouder dan ook niets te verwachten. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de wettelijk genoemde bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] gelegen is in het feit dat de draagmoeder, gegeven haar intenties met het draagouderschap, in ieder geval emotioneel niet bereid c.q. in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266 eerste lid onder a. BW is voldaan. Het verzoek tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder zal dan ook worden toegewezen.
Voogdij
5.6
Aangezien de beëindiging van het gezag van de draagmoeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] komt te ontbreken omdat met deze beslissing ook de voorlopige voogdij van de GI eindigt
,dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 eerste lid BW een voogd over [minderjarige 1] te benoemen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat de wensouders tot voogden worden benoemd. Zij, die [minderjarige 1] vanaf haar geboorte opvoeden en verzorgen en bovendien de biologische ouders van [minderjarige 1] zijn, moeten namelijk zelfstandig beslissingen over [minderjarige 1] kunnen nemen. De rechtbank stelt vast dat de wensouders bereid zijn de voogdij over [minderjarige 1] te aanvaarden.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
5.7
Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing, welke de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Gezagsregister
5.8
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6.De beslissing

De rechtbank
beëindigt het gezag van [de draagmoeder] over [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats 1] op [geboortedag 1] 2024;
benoemt de wensouders, [de wensmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1987, en [de wensvader] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 1989, tot voogden over voornoemde minderjarige;
verklaart voornoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.