ECLI:NL:RBZWB:2025:5110

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/437970 / FA RK 25-3769
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:241 BWBesluit Gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige voogdij over prematuur geboren minderjarige met medische zorgbehoefte

Op 29 juli 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de voorlopige voogdij over een prematuur geboren minderjarige verlengd tot 18 oktober 2025. De minderjarige is geboren met 27 weken en heeft extra medische zorg nodig vanwege onder meer een hersenbloeding. De moeder is belast met het gezag, maar zij en de vader, die het kind niet heeft erkend, willen geen rol spelen en overwegen afstand te doen.

De ouders, beiden 18 jaar, worden begeleid in het afstandsproces en krijgen drie maanden bedenktijd om een weloverwogen beslissing te nemen. De gecertificeerde instelling (GI) is belast met de voorlopige voogdij en zorgt voor het kind zolang er geen definitieve beslissing is. De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen, maar de zaak is spoedeisend.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor voorlopige voogdij zijn vervuld, gezien de onmogelijkheid van de ouders om voor het kind te zorgen en de kwetsbare medische situatie van de minderjarige. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er wordt een aantekening gemaakt in het centraal gezagsregister. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De voorlopige voogdij wordt verlengd tot 18 oktober 2025 en de gecertificeerde instelling krijgt de noodzakelijke bevoegdheden over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437970 / FA RK 25-3769
Datum uitspraak: 29 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Rotterdam-Dordrecht, locatie Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling
(GI).
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].

1.Het verdere procesverloop

1.1
Het verdere procesverloop bestaat uit:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 18 juli 2025 en de daarin
genoemde stukken;
- het bericht van het FIOM van 25 juli 2025, ingekomen bij de griffie op 28 juli 2025, te weten dat de moeder niet naar de mondelinge behandeling komt.
1.2
Op 29 juli 2025 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord;
- een vertegenwoordigster namens de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder, met kennisgeving vooraf, niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Ook de vader is niet bij de mondelinge behandeling aanwezig. De kinderrechter besluit, mede gelet op het spoedeisende karakter van het verzoek, de mondelinge behandeling voort te zetten bij afwezigheid van de ouders.

2.De feiten

2.1
Op [geboortedag] 2025 is [minderjarige] geboren.
2.2
De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige].
2.3
De vader heeft [minderjarige] niet erkend.
2.4
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van [geboortedag] 2025 heeft de kinderrechter, zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast met ingang van [geboortedag] 2025 tot 1 augustus 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het resterende verzoek

3.1
Het verzoek van de Raad strekt ertoe om de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] te belasten en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
Het aangehouden verzoek dat nog ter beoordeling voorligt, strekt tot de voorziening in de voorlopige voogdij over [minderjarige] tot 18 oktober 2025.

4.Het (nadere) standpunt van de Raad

4.1
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De ouders hebben voornemens geuit om afstand ter adoptie te doen na de bevalling, omdat zij zichzelf te jong vinden en geen financiële middelen hebben om [minderjarige] te verzorgen. De ouders zijn beiden 18 jaar. De moeder woont beschermd en wil eerst haar leven op de rit krijgen. Ook de vader wil geen rol spelen in het leven van [minderjarige].
4.2
[minderjarige] is prematuur geboren, met 27 weken en heeft medische zorg nodig. Zij verblijft in het [ziekenhuis] op de IC. De moeder heeft tijdens de zwangerschap gedronken en geblowd.
4.3
De ouders wordt begeleiding aangeboden in het afstandsproces, zodat zij een definitieve beslissing kunnen maken over het toekomstperspectief van [minderjarige]. De ouders willen drie maanden bedenktijd om te gaan voelen en ervaren hoe het is als ze [minderjarige] bezoeken, om zo uiteindelijk tot een besluit te komen. Maar op dit moment
kunnen zij niet zelf voor [minderjarige] zorgen. Wanneer de ouders er voor kiezen om geen afstand van [minderjarige] te doen, moet bekeken worden of er sprake moet zijn van een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Onbekend is hoe het netwerk van de ouders er uit ziet en wat hun eigen achtergrond is. Dit moet de komende periode inzichtelijk worden gemaakt.

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1
De GI brengt, samengevat, naar voren dat zij contact heeft gehad met het ziekenhuis. Bekend is dat de toestand van [minderjarige] op dit moment stabiel is. Zij heeft een hersenbloeding en geconstateerd is dat haar hersenweefsel beschadigd is geraakt. Door het gebruik van alcohol en cannabis door de moeder is [minderjarige] al bij haar geboorte op een achterstand geraakt. Dat zij extra zorg nodig heeft, is een gegeven. [minderjarige] wordt dagelijks bezocht door de pleegouders die met haar buidelen. Zij vindt bij hen haar rust en het hechtingsproces kan daarmee op gang worden gebracht. [minderjarige] kan bij de pleegouders verblijven zolang er niet over haar perspectief is beslist. Inmiddels hebben ook de ouders [minderjarige] in het ziekenhuis bezocht. Op de eerste afspraak is gezien dat de ouders onder invloed waren. Hier zijn zij op aangesproken. De GI denkt dat bij de ouders geen sprake is van onwil, maar wel van onmacht als gevolg van hun eigen beperkingen. Zij zijn overvallen door de hele situatie en hebben tijd nodig om te wennen aan het idee om een kind te hebben. In de komende periode moeten de ouders ingrijpende beslissingen nemen en daarin zullen zij zo goed als mogelijk worden begeleid.

6.De beoordeling

De spoedbeslissing
6.1
Bij beschikking van [geboortedag] 2025 heeft de kinderrechter, omdat een mondelinge behandeling niet kon worden afgewacht, zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van twee weken. Het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 29 juli 2025 in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
6.2
De kinderrechter dient in de eerste plaats te beoordelen of er feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van [geboortedag] 2025 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dat betekent dan ook dat de beslissing van [geboortedag] 2025 niet wordt herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterend deel van het verzoek
6.3
Voorts dient het resterende deel van het onderhavige verzoek beoordeeld te worden.
6.4
De kinderrechter kan ingevolge artikel 1:241, eerste, tweede en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de Raad een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over een minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. De maatregel vervalt na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.
6.5
Er is naar het oordeel van de kinderrechter voldaan aan de wettelijke voorwaarden als vermeld in artikel 1:241 BW Pro voor voorlopige voogdij. De kinderrechter overweegt hiertoe dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder feitelijk niet in het gezag over [minderjarige] kan voorzien. Zij is op dit moment niet in staat om voor [minderjarige] de verantwoordelijkheid te dragen. Zij heeft eerder aangegeven niet in het leven van [minderjarige] betrokken te willen worden. Voor de vader, die [minderjarige] nog niet heeft erkend, geldt hetzelfde. De ouders overwegen om afstand van [minderjarige] te doen. Zij willen drie maanden de tijd krijgen om hier een goede afweging in te maken. Zolang daarover geen duidelijkheid is, dient in het gezag over [minderjarige] te worden voorzien. Dit geldt eens te meer nu [minderjarige] een zeer kwetsbaar meisje is dat extra medische zorg nodig heeft. Het is dan ook belangrijk dat er te allen tijde beslissingen over haar genomen kunnen worden. De kinderrechter overweegt dan ook dat betrokkenheid van de GI nodig is om de belangen van [minderjarige] te kunnen behartigen en direct in te kunnen grijpen wanneer dat nodig is.
6.6
Gelet op artikel 1:241 lid 4 BW Pro vervalt de maatregel van voorlopige voogdij na drie maanden, in dit geval op 18 oktober 2025, tenzij vóór die datum aan de rechter een definitieve voorziening in de voogdij over [minderjarige] is verzocht. In dat geval loopt de voorlopige voogdij door totdat op het verzoek om in de definitieve voogdij te voorzien is beslist.
6.7
Samen met de Raad acht de kinderrechter het van belang dat er de komende periode inzicht wordt verkregen in de persoonlijke situatie van de ouders en hoe het netwerk rondom de ouders er uit ziet. Van belang is tevens dat de ouders op een bij hen passende wijze worden ondersteund in het maken van een afweging in het afstandsproces.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregel en het belang van [minderjarige], de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
Aantekening gezagsregister
6.9
De kinderrechter zal de griffier verzoek om, krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister, zodat voor iedereen kenbaar is hoe de voorlopige voogdij over [minderjarige] geregeld is.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verlengt de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2025 tot 18 oktober 2025;
7.2
bepaalt dat aan de GI alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige] die in het belang van [minderjarige] noodzakelijk zijn, worden toegekend;
7.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 18 oktober 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;
7.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.