In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 juli 2025 een nadere beschikking gegeven over de voorlopige voogdij van een minderjarige, geboren in 2008, na het overlijden van zijn vader. De vader, met wie de minderjarige in Nederland woonde, is op [datum] 2025 overleden. De moeder woont in het buitenland en heeft aangegeven niet betrokken te willen worden bij de zorg voor haar kind. De kinderrechter heeft de Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Jeugdbescherming Brabant betrokken bij de procedure. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 juli 2025 was de moeder niet aanwezig, ondanks dat zij correct was opgeroepen. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord via een digitale verbinding, omdat hij in het buitenland was voor de uitvaart van zijn vader. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder niet in staat is om het gezag uit te oefenen en dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk is om de belangen van de minderjarige te behartigen. De kinderrechter heeft de voorlopige voogdij over de minderjarige verlengd tot 18 oktober 2025, met de mogelijkheid tot verdere beoordeling van de situatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft ook verzocht om een aantekening in het centraal gezagsregister te maken.