ECLI:NL:RBZWB:2025:5111

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/437931 / FA RK 25-3750
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voogdij in het kader van gezagsuitoefening over minderjarige na overlijden van de vader

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 juli 2025 een nadere beschikking gegeven over de voorlopige voogdij van een minderjarige, geboren in 2008, na het overlijden van zijn vader. De vader, met wie de minderjarige in Nederland woonde, is op [datum] 2025 overleden. De moeder woont in het buitenland en heeft aangegeven niet betrokken te willen worden bij de zorg voor haar kind. De kinderrechter heeft de Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Jeugdbescherming Brabant betrokken bij de procedure. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 juli 2025 was de moeder niet aanwezig, ondanks dat zij correct was opgeroepen. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord via een digitale verbinding, omdat hij in het buitenland was voor de uitvaart van zijn vader. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder niet in staat is om het gezag uit te oefenen en dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk is om de belangen van de minderjarige te behartigen. De kinderrechter heeft de voorlopige voogdij over de minderjarige verlengd tot 18 oktober 2025, met de mogelijkheid tot verdere beoordeling van de situatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft ook verzocht om een aantekening in het centraal gezagsregister te maken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437931 / FA RK 25-3750
Datum uitspraak: 29 juli 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [land] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling
(GI).

1.Het verdere procesverloop

1.1
Het verdere procesverloop bestaat uit:
- De in deze zaak gegeven beschikking van 18 juli 2025 en de daarin
genoemde stukken;
- de oproeping van de moeder in de Staatscourant van 22 juli 2025.
1.2
Op 29 juli 2025 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord;
- [minderjarige] , ondersteund door de heer [naam] en bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordigster namens de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3
Volledigheidshalve merkt de kinderrechter op dat zij [minderjarige] digitaal, via MS Teams, heeft gehoord, omdat hij in verband met de uitvaart van zijn vader in [land] verblijft. [minderjarige] is tijdens het gesprek bijgestaan door een tolk in de Poolse taal en is ondersteund door de heer [naam], een vriend van de vader met wie [minderjarige] in Nederland samenwoont.
1.4
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de moeder niet bij de mondelinge behandeling verschenen. De moeder is in de gelegenheid gesteld om digitaal bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. De kinderrechter heeft vijftien minuten op de moeder gewacht, echter zij is digitaal niet verschenen. De kinderrechter besluit daarop de mondelinge behandeling voort te zetten in afwezigheid van de moeder. De overige aanwezigen maakten hiertegen geen bezwaar.

2.De feiten

2.1
[minderjarige] woont in Nederland, oorspronkelijk met de vader. De moeder woont in [land] . [minderjarige] woont samen met de heer [naam], een vriend van de vader.
2.2
De vader is op [datum] 2025 overleden. De ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.3
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 18 juli 2025 heeft de kinderrechter, zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast met ingang van 18 juli 2025 tot 1 augustus 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het resterende verzoek

3.1
Het verzoek van de Raad strekt ertoe om de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] te belasten en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
Het aangehouden verzoek dat nog ter beoordeling voorligt, strekt tot de voorziening in de voorlopige voogdij over [minderjarige] tot 18 oktober 2025.

4.Het (nadere) standpunt van de Raad

4.1
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] en de vader woonden samen met een vriend van de vader. Volgens [minderjarige] neemt hij de belangrijke beslissingen over hem. De moeder met gezag woont in [land] en heeft niet de mogelijkheid om voor [minderjarige] te zorgen, en/of naar Nederland te komen. Zij heeft een minderjarige gehandicapte zoon en nog een ander kind van drie jaar oud. De moeder is beperkt bereikbaar en heeft geen zicht op de situatie van [minderjarige] . Zij heeft aangegeven niet betrokken te willen worden bij haar zoon.
4.2
Door het overlijden van de vader heeft [minderjarige] geen zorgverzekering, terwijl hij diabetes heeft en daardoor zorgbehoevend is. Door de houding van de moeder worden de belangrijke zaken, zoals het regelen van een zorgverzekering en het bestellen van de medisch noodzakelijke benodigdheden niet geregeld. In de afgelopen periode is [minderjarige] al een paar keer bijna in coma geraakt. Hij kan en mag geen medicatie innemen zonder toezicht en instructie.
4.3
Naast het overlijden van de vader en de diabetes van [minderjarige] spelen er ook andere problemen die de komende periode in kaart moeten worden gebracht. Zo is er bijvoorbeeld sprake van schoolverzuim, een vervuilde woning, en blijkt de vriend van de vader veel te werken waardoor er weinig zicht is op [minderjarige] . Ook moet worden bekeken in hoeverre [minderjarige] zelf verantwoordelijkheid kan nemen voor zijn eigen gezondheid.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1
[minderjarige] vertelt de kinderrechter, samengevat, dat het een zware tijd voor hem is. Hij is nu in [land] in verband met de uitvaart van zijn vader. Rond het weekend verwacht [minderjarige] weer naar Nederland te komen. Hij zegt toe de GI hiervan op de hoogte te houden. [minderjarige] realiseert zich dat er hulp van de GI als zijn voogd nodig is. Hij is dan ook akkoord met het verzoek.
5.2
De GI brengt, samengevat, naar voren dat de GI haar rol als voogd verder oppakt zodra [minderjarige] weer in Nederland is. Hij heeft de afgelopen periode, volgens afspraak, goed contact gehouden. De komende periode moet er meer zicht komen op zijn situatie. Op meerdere leefgebieden is onduidelijk wat er aan de hand is. De probleemgebieden zullen nader in kaart gebracht moeten worden. Voor [minderjarige] is Pools sprekende hulpverlening aangevraagd. Gezien wordt dat [minderjarige] hiervoor ook openstaat. Verder is bijstand van de voogd nodig zodat [minderjarige] wegwijs kan worden gemaakt in de Nederlandse samenleving en regelgeving. Hij en de vriend van de vader proberen de verantwoordelijkheid te nemen, maar lopen er tegen aan dat zij niet van de Nederlandse regels op de hoogte zijn.

6.De beoordeling

De spoedbeslissing
6.1
Bij beschikking van 18 juli 2025 heeft de kinderrechter, omdat een mondelinge behandeling niet kon worden afgewacht, zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van twee weken. Het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 29 juli 2025 in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
6.2
De kinderrechter dient in de eerste plaats te beoordelen of er feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 18 juli 2025 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dat betekent dan ook dat de beslissing van 18 juli 2025 niet wordt herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterend deel van het verzoek
6.3
Voorts dient het resterende deel van het onderhavige verzoek beoordeeld te worden.
6.4
De kinderrechter kan ingevolge artikel 1:241, eerste, tweede en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de Raad een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over een minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. De maatregel vervalt na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.
6.5
Er is naar het oordeel van de kinderrechter voldaan aan de wettelijke voorwaarden als vermeld in artikel 1:241 BW voor voorlopige voogdij. De kinderrechter overweegt hiertoe dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er feitelijk niet in het gezag over [minderjarige] wordt voorzien. De vader is overleden, terwijl de moeder zich afzijdig houdt. Zij woont in [land] en is niet in staat om het gezag over [minderjarige] , die in Nederland verblijft, uit te oefenen. Zij is niet alleen fysiek niet beschikbaar, maar is ook niet altijd bereikbaar. Bovendien heeft zij geen zicht op de feitelijke situatie van [minderjarige] , omdat zij al geruime tijd niet bij hem betrokken is en zich ook niet betrokken toont. Daarnaast is de vraag in hoeverre de taalbarrière ook nog een rol speelt.
6.6
De kinderrechter overweegt dat betrokkenheid van de GI nodig is om de belangen van [minderjarige] te kunnen behartigen, direct in te kunnen grijpen wanneer dat nodig is en [minderjarige] in Nederland te ondersteunen. Bovendien dient er meer zicht verkregen te worden op de (leef)situatie van [minderjarige] en moeten de probleemgebieden nader in kaart worden gebracht. De kinderrechter betrekt daarin niet alleen dat bij [minderjarige] sprake is van schoolverzuim, ook moet worden onderzocht in hoeverre hij in zijn huidige woonsituatie de zorg krijgt die hij behoeft en of die woonplek geschikt is. Daarnaast dient de GI te monitoren of het [minderjarige] lukt om een deel eigen verantwoordelijkheid te nemen als het zijn lichamelijke gezondheid betreft.
6.7
Gelet op artikel 1:241 lid 4 BW vervalt de maatregel van voorlopige voogdij na drie maanden, in dit geval op 18 oktober 2025, tenzij vóór die datum aan de rechter een definitieve voorziening in de voogdij over [minderjarige] is verzocht. In dat geval loopt de voorlopige voogdij door totdat op het verzoek om in de definitieve voogdij te voorzien is beslist.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregel en het belang van [minderjarige] , de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
Aantekening gezagsregister
6.9
De kinderrechter zal de griffier verzoek om, krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister, zodat voor iedereen kenbaar is hoe de voorlopige voogdij over [minderjarige] geregeld is.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verlengt de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2025 tot 18 oktober 2025;
7.2
bepaalt dat aan de GI alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige] die in het belang van [minderjarige] noodzakelijk zijn, worden toegekend;
7.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 18 oktober 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;
7.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.