ECLI:NL:RBZWB:2025:5135

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/436536 / JE RK 25-1080
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging uithuisplaatsing en wijziging hoofdverblijf van een minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 30 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de minderjarige [minderjarige]. De vader van de minderjarige heeft verzocht om de beëindiging van de uithuisplaatsing van zijn kind, die was opgelegd vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. De vader stelt dat zijn situatie is verbeterd en dat hij nu in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. De kinderrechter heeft echter geoordeeld dat, hoewel de vader een eigen woning heeft en in staat is om voor [minderjarige] te zorgen, de gronden voor de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. De kinderrechter heeft benadrukt dat er eerst gewerkt moet worden aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, voordat er kan worden overwogen om de uithuisplaatsing te beëindigen. De verzoeken van de vader om de uithuisplaatsing te beëindigen en om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te vestigen, zijn afgewezen. De kinderrechter heeft ook aangegeven dat de vader in de toekomst opnieuw een verzoek kan indienen indien de omstandigheden wijzigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436536 / JE RK 25-1080
Datum uitspraak: 30 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over beëindiging machtiging tot uithuisplaatsing alsmede wijziging hoofdverblijf en vaststelling zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekende plaats,
advocaat mr. S. Klootwijk te Breda, tijdens de zitting vertegenwoordigd door haar kantoorgenoot mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. D. Boudrad te Gilze,
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2025;
  • de brief van 7 juli 2025 van mr. Klootwijk, tevens houdende een wijziging/aanvulling van het verzoek.
1.2.
Op 16 juli 2025 heeft de kinderrechter de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de vader, bijgestaan door mr. Gulickx (waarnemend);
  • mr. Boudrad;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De moeder is niet in persoon verschenen.
1.4.
[minderjarige] is, gelet op zijn jonge leeftijd, niet in de gelegenheid gesteld om zijn mening over de verzoeken te geven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 oktober 2024 tot 9 oktober 2025.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 januari 2025 is met spoed, oftewel zonder de ouders daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening hierover te geven, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van twee weken met ingang van 23 januari 2024 tot 6 februari 2025. De beslissing is voor het overige aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 5 februari 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 6 februari 2025 tot 9 oktober 2025.
2.5.
Op grond van voormelde machtiging is [minderjarige] uit huis geplaatst en verblijft hij op een neutrale plaats.
2.6.
De vader en [minderjarige] hebben eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond contact met elkaar.

3.De verzoeken en de onderbouwing daarvan

3.1.
De vader verzoekt, na wijziging/aanvulling van zijn verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair:te bepalen dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] met onmiddellijke ingang, dan wel met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, wordt beëindigd;
  • primair:te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader is gelegen en dat [minderjarige] op het adres van de vader wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
  • subsidiair:te bepalen dat de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt uitgebreid van vrijdag uit school (waarbij de vader [minderjarige] op school ophaalt) tot zondagavond, waarbij de vader [minderjarige] terugbrengt naar de plek waar hij verblijft;
  • meer subsidiair:een omgangsregeling in goede justitie te bepalen;
  • kosten rechtens.
3.2.
Namens en door de vader is ter onderbouwing van voormelde verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
3.3.
[minderjarige] woonde tot het begin van dit jaar bij zijn moeder. Vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en omdat de vader destijds dakloos was, is [minderjarige] uit huis geplaatst op een neutrale plek. De vader stelt dat er op dit moment sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] moet worden beëindigd en dat [minderjarige] bij de vader moet worden geplaatst. De vader beschikt namelijk inmiddels over een eigen huurwoning met een aparte kamer voor [minderjarige]. De vader heeft daarnaast een uitkering en hij krijgt hulpverlening gericht op het verder stabiliseren en op het verbeteren van zijn persoonlijke situatie. Ook beschikt hij over voldoende opvoedcapaciteiten- en mogelijkheden. De vader stelt daarnaast dat het niet goed gaat met [minderjarige] sinds hij uit huis geplaatst is. Nu hij op een neutrale plaats verblijft met voor hem onbekende mensen, is hij zichtbaar ongelukkig. [minderjarige] heeft volgens de vader ook meermaals aangegeven dat hij graag bij de vader wil wonen. Een uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende maatregel die enkel noodzakelijk is als er geen minder ingrijpende alternatieven bestaan. Nu een terugplaatsing van [minderjarige] niet mogelijk lijkt te zijn, is een plaatsing van [minderjarige] bij de vader het beste alternatief. De advocaat van de vader heeft de GI per brief aangeschreven om binnen drie dagen te reageren op het verzoek van de vader om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen en om hem bij de vader te plaatsen. Hoewel er nadien een gesprek met de GI heeft plaatsgevonden, heeft dit niet geleid tot een overeenstemming hierover. Gelet hierop verzoekt de vader primair op grond van artikel 1:265d van het Burgerlijk Wetboek (BW) om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen en om [minderjarige] bij de vader te plaatsen.
3.4.
Op dit moment verblijft [minderjarige] eenmaal per twee weken tijdens het weekend bij de vader. Deze regeling verloopt goed. De vader vindt het daarom belangrijk, voor zover [minderjarige] niet per direct volledig bij hem wordt geplaatst, dat deze regeling wordt uitgebreid. Hij verzoekt daarom subsidiair op grond van artikel 1:265g, tweede lid BW om een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen.
3.5.
Tijdens de zitting is namens de vader daarbij aangevoerd dat hij, met het oog op de trajecten bij [hulpverlening] die in de komende periode gaan starten, zich kan voorstellen dat de beslissing op de verzoeken in deze zaak wordt aangehouden in afwachting van het verloop en van de resultaten daarvan. De advocaat ziet niets in het voorstel van de GI om de wensen van de vader mee te nemen bij de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] begin oktober 2025 omdat niet kan worden uitgesloten dat de maatregelen niet worden verlengd.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Na de ontvangst van de brief van de advocaat van de vader om binnen drie weken te reageren op zijn verzoek tot de beëindiging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en om [minderjarige] bij de vader te plaatsen, is de GI binnen een week hierover met de vader in gesprek gegaan. De GI is echter van mening dat eerst moet worden ingezet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. [minderjarige] heeft namelijk altijd bij de moeder gewoond, zijn hoofdverblijf is nog steeds bij de moeder gelegen en de GI vindt het in beginsel het meest in het belang van [minderjarige] en zijn halfzusje dat er wordt ingezet op een hereniging tussen hen beiden. In april 2025 zou de moeder samen met [minderjarige] en zijn halfzusje starten met een ouder-kindtraject bij [hulpverlening]. Dit traject is echter uitgesteld nadat is gebleken dat de moeder haar woning zou verliezen en zij nog steeds contact bleek te hebben met een andere ex-partner. De moeder verblijft op dit moment in een veilige opvanglocatie en er zijn aanvullende voorwaarden gesteld. De bedoeling is nu dat zij in september 2025 alsnog gaat starten met het traject bij [hulpverlening]. Dit traject kan tot 20 weken duren. In die periode zal er observatie en diagnostiek plaatsvinden en zal er onder meer worden ingezet op het verbreken van de afhankelijkheidsrelatie van de moeder met haar ex-partner. Dit traject is naar de mening van de GI een “laatste kans traject”.
Met betrekking tot de vader worden er vooralsnog drie opties gezien.
Als de moeder het traject aangaat dan wordt de vader betrokken bij de observatieperiode of worden er aparte observaties ingezet in de weekenden dat [minderjarige] bij de vader verblijft.
Als de moeder niet zal starten met het traject dan zal er worden ingezet op een korte opname van de vader en [minderjarige] bij [hulpverlening] voor de duur van vier weken. In dat geval zal er enkel een observatieperiode plaatsvinden. Aan de hand van het verloop en het resultaat van het traject dat uiteindelijk zal worden ingezet, zal [hulpverlening] adviseren in welke vorm en frequentie beide ouders in het leven van [minderjarige] betrokken dienen te worden met het oog op de belangen van [minderjarige]. Gelet hierop vindt de GI de verzoeken van de vader prematuur. De GI verzoekt dan ook om de verzoeken van de vader af te wijzen. De GI ziet niets in een aanhouding van de beslissing op de verzoeken, zoals subsidiair namens de vader is verzocht, omdat de huidige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing lopen tot 9 oktober 2025 en er in het kader van de verlenging van die maatregelen op korte termijn al een rechterlijke toetsing met betrekking tot die maatregelen zal plaatsvinden.
4.2.
Namens de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de vader en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen. Zij stelt daartoe dat het niet in het belang van [minderjarige] is als hij per direct bij de vader wordt geplaatst en dat hij vervolgens over een aantal weken opnieuw wordt overgeplaatst naar [hulpverlening]. Daarbij geldt dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is gelegen en dat er dus dient te worden ingezet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder stelt bovendien dat de vader in het verleden geen actieve rol in het leven van [minderjarige] heeft gehad. Contactmomenten werden veelal afgezegd door de vader of hij kwam niet opdagen. Momenteel hebben de vader en [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend contact met elkaar. Voor zover de vader zijn leven inmiddels daadwerkelijk op de rit heeft, betekent dit niet dat de vader ook in staat is om volledig voor [minderjarige] te zorgen en hem op te voeden.

5.De beoordeling

5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt.
Wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:265d van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een uithuisplaatsing door de GI worden beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige en het belang van de minderjarige zich niet tegen beëindiging verzet.
Onder meer de met het gezag belaste ouder kan wegens gewijzigde omstandigheden de GI verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen dan wel te bekorten. De GI dient binnen twee weken na ontvangst van dit verzoek schriftelijk hierop te reageren. Bij een afwijzende beslissing van de GI, kan het verzoek ter beoordeling voorgelegd worden aan de kinderrechter. De kinderrechter kan in dat geval de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten.
5.3.
Uit artikel 1:265g, eerste lid BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, voor de duur van de ondertoezichtstelling, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Uit het tweede lid van voormeld artikel volgt dat de kinderrechter op verzoek van onder meer een met het gezag belaste ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De advocaat van de vader heeft de GI op 10 juni 2025 per brief verzocht om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen en om [minderjarige] bij de vader te plaatsen, met het verzoek om binnen drie dagen hierop te reageren. De kinderrechter stelt vast dat er binnen een week na ontvangst van die brief, althans in ieder geval binnen de wettelijke termijn van twee weken, een gesprek tussen de GI en de vader heeft plaatsgevonden over diens verzoeken. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de vader kan worden ontvangen in zijn verzoek tot de beëindiging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en om hem bij de vader te plaatsen, ook al heeft de GI niet ook schriftelijk gereageerd.
5.5.
De kinderrechter overweegt, gezien de overgelegde stukken en gezien wat er tijdens de zitting is besproken dat niet is gebleken dat er niet meer wordt voldaan aan de gronden voor de uithuisplaatsing van [minderjarige]. [minderjarige] woonde tot zijn uithuisplaatsing eind januari 2025 bij zijn moeder en is destijds uit huis geplaatst vanwege, kort samengevat, zorgen over de (opvoed)situatie bij de moeder. Voor zover het leven van de vader inmiddels is gestabiliseerd en deze in staat zou zijn om de volledige verantwoording te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige], betekent dit niet dat de gronden die hebben geleid tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer aanwezig zijn. Dat een plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment het beste alternatief zou zijn, zoals door en namens de vader is aangevoerd, doet hier ook niet aan af. Om die reden kan het verzoek van de vader op grond van voormeld artikel niet worden toegewezen.
5.6.
Daarbij geldt, nu [minderjarige] tot zijn uithuisplaatsing bij zijn moeder woonde en zijn hoofdverblijf nog steeds bij de moeder is gelegen, dat er gedurende de periode van uithuisplaatsing in beginsel dient te worden gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Gebleken is dat dit traject nog volop gaande is. De bedoeling is dat de moeder in september 2025 samen met [minderjarige] en zijn halfzusje een ouder-kindtraject zal doorlopen bij [hulpverlening]. In dat kader zal er onder meer observatie en diagnostiek plaatsvinden en zal er, naar aanleiding daarvan, passende behandeling en hulpverlening worden ingezet. Dit traject kan tot 20 weken duren. De vader zal bij de observaties van de moeder en de kinderen worden betrokken of er zullen aparte observaties plaatsvinden wanneer [minderjarige] tijdens de weekenden bij de vader verblijft. Als de moeder niet zal starten met voormeld traject, dan zal er worden ingezet op een kortdurende plaatsing van de vader en [minderjarige] bij [hulpverlening] met enkel een observatieperiode. Ongeacht welk(e) traject(en) er zal/zullen worden ingezet, zal de vader hierbij worden betrokken en zal worden bezien welke vorm, duur en frequentie van contact tussen de vader en [minderjarige] het meest in het belang van [minderjarige] is. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat het verloop en de resultaten van voormeld traject bij [hulpverlening] eerst dienen te worden afgewacht alvorens eventueel, al dan niet volledig, in te zetten op een plaatsing van [minderjarige] bij de vader dan wel op het uitbreiden van de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige].
5.7.
Het voorgaande betekent dat de verzoeken van de vader, zoals namens de vader is aangevoerd: beoordeeld naar de wettelijke maatstaven van artikel 1:262b BW, naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment in ieder geval prematuur zijn. De kinderrechter laat hierbij buiten beschouwing of een verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf op grond van 1:262b BW mogelijk is. Voor zover voormeld verzoek is gebaseerd op grond van artikel 1:253a BW, of dit verzoek dan toelaatbaar is als aanvullend verzoek in deze procedure nu het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing is gericht tegen de GI en een verzoek tot wijziging hoofdverblijf op grond van voormeld artikel in het kader van geschilbeslechting bij gezamenlijk ouderlijk gezag is gericht tegen de moeder. En of de vader kan worden ontvangen in diens verzoek om op grond van artikel 1:265g BW lid 2 BW zelfstandig een verzoek tot vaststelling van een uitgebreidere zorg- en contactregeling in te dienen zonder dat er sprake is van een eerder vastgestelde regeling op grond van 1:265g BW lid 1 BW.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter alle verzoeken van de vader in deze procedure afwijzen. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de beslissing op de verzoeken van de vader aan te houden in afwachting van het verloop en de resultaten van de trajecten bij [hulpverlening] omdat dit medio oktober 2025 meegenomen kan en zal worden bij een eventueel in te dienen verzoek van de GI tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Daarbij geldt dat de vader in de toekomst op grond van gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek bij de kinderrechter kan indienen dat passend is bij de feiten en omstandigheden op dat moment. Dit geldt ook indien de GI niet zal overgaan tot het indienen van een verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige], hetgeen overigens naar het oordeel van de kinderrechter, gezien de huidige stand van voormelde trajecten en de verwachte duur daarvan, niet in de lijn der verwachting ligt.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.