Uitspraak
1.Het procesverloop
- het op 20 januari 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9-formulier van 15 mei 2025 van mr. Teusink, houdende een wijziging/aanvulling van het verzoek;
- het op 16 juni 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
- de vrouw, bijgestaan door mr. Teusink;
- de man, bijgestaan door mr. Stoffels;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
2.De feiten
3.De verzoeken
- [minderjarige] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man;
- in de zomervakantie verblijft [minderjarige] in de eerste drie weken bij de man en in de laatste drie weken bij de vrouw;
- in de meivakantie verblijft [minderjarige] in de eerste week bij de man en in de tweede week bij de vrouw;
- in de herfstvakantie verblijft [minderjarige] bij de moeder met inachtneming van de reguliere zorg- en contactregeling;
- in de Kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de even jaren in de eerste week en de beide Kerstdagen bij de man en in de tweede week en tijdens de jaarwisseling bij de vrouw, in de oneven jaren andersom;
- op Eerste Paasdag verblijft [minderjarige] bij de vrouw en op Tweede Paasdag verblijft hij bij de man;
- op Vader- en Moederdag verblijft [minderjarige] vanaf de zaterdag ervoor om 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de ouder die het betreft;
- tijdens Sinterklaas, de verjaardagen (van [minderjarige] en die van partijen) en Pinksteren geldt de reguliere zorg- en contactregeling;
- daarbij te bepalen dat de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft hem brengt naar de andere ouder, waarbij het wisselmoment om 09.00 uur plaatsvindt, tenzij hiervoor anders vermeld;
- [minderjarige] verblijft in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man, met wisselmoment op maandag, waarbij [minderjarige] op maandagochtend op school wordt afgezet door de ouder bij wie hij tot dat moment verblijft en hij op maandagmiddag door de andere ouder wordt opgehaald bij wie hij vanaf dat moment verblijft (op niet-schooldagen om 10.00 uur);
- De regeling met betrekking tot de verdeling van de vakanties te bepalen zoals opgenomen in productie 2 van het verweerschrift.
4.De standpunten
5.De beoordeling
- De ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- Het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- De (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
- Het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- Er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren;
- De nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
- Past een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over [minderjarige] , bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die verdeling er dan uit gaan zien (qua aard, duur en frequentie)?
6.De beslissing
voorlopig, totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- reguliere regeling: eenmaal per veertien dagen van de vrijdag uit school tot de maandag naar school, alsmede in de andere week op de maandag en op de donderdag vanaf 17.00 uur tot de volgende ochtend (dus tot respectievelijk de dinsdag- en de vrijdagochtend) naar school;
- tijdens de zomervakantie 2025: in de eerste drie weken verblijft [minderjarige] bij de man (van zondag 6 juli 2025 tot en met zondag 27 juli 2025) en vervolgens verblijft [minderjarige] drie weken bij de vrouw (van zondag 27 juli 2025 tot en met zondag 17 augustus 2025), met als wisselmoment zondagochtend om 09.00 uur, waarbij [minderjarige] iedere zondag omstreeks 16.00 uur contact heeft met de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft via videobellen;
dinsdag 21 april 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.