ECLI:NL:RBZWB:2025:5136

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/431313 / FA RK 25-463
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken in het kader van het Uniform Hulpaanbod

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019. De vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. R.E. Teusink, verzoekt om wijziging van de bestaande zorgregeling, terwijl de man, vertegenwoordigd door mr. F.J.V.H. Stoffels, verweer voert en ook zelfstandige verzoeken indient. De rechtbank heeft de verzoeken van beide ouders in het kader van de zorg- en opvoedingstaken beoordeeld en heeft vastgesteld dat er een relevante wijziging van omstandigheden is die een aanpassing van de zorgregeling rechtvaardigt. De rechtbank heeft besloten om de ouders te verwijzen naar zorg in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) om de communicatie en samenwerking tussen hen te verbeteren. Totdat het UHA-traject is afgerond, heeft de rechtbank een voorlopige regeling vastgesteld waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot maandag bij de man verblijft, en in de andere week op maandag en donderdag. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de regeling direct van kracht is. De ouders zijn verplicht om samen te werken aan de verbetering van hun communicatie en de zorg voor [minderjarige].

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/431313 / FA RK 25-463
Datum uitspraak: 29 juli 2025
Beschikking over wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • het op 20 januari 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 15 mei 2025 van mr. Teusink, houdende een wijziging/aanvulling van het verzoek;
  • het op 16 juni 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
1.2.
Op 18 juni 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling behandeld. Bij die behandeling waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Teusink;
  • de man, bijgestaan door mr. Stoffels;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2023 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is gelegen. Daarnaast is een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] bepaald. De beslissing over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over [minderjarige] is aangehouden in afwachting van het resultaat van een door partijen te doorlopen mediationtraject.
2.5.
Bij nadere beschikking van deze rechtbank van 2 november 2023 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaken van voormelde beschikking. In voormeld door beide ouders ondertekend ouderschapsplan en de daarbij horende bijlage, zijn de ouders een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] overeengekomen op basis van co-ouderschap. Ook hebben zij een verdeling gemaakt over de vakanties en de feestdagen.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om voormelde beschikking van deze rechtbank van 2 november 2023 alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan te wijzigen wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] en te bepalen, na wijziging/aanvulling van het verzoek:
  • [minderjarige] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man;
  • in de zomervakantie verblijft [minderjarige] in de eerste drie weken bij de man en in de laatste drie weken bij de vrouw;
  • in de meivakantie verblijft [minderjarige] in de eerste week bij de man en in de tweede week bij de vrouw;
  • in de herfstvakantie verblijft [minderjarige] bij de moeder met inachtneming van de reguliere zorg- en contactregeling;
  • in de Kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de even jaren in de eerste week en de beide Kerstdagen bij de man en in de tweede week en tijdens de jaarwisseling bij de vrouw, in de oneven jaren andersom;
  • op Eerste Paasdag verblijft [minderjarige] bij de vrouw en op Tweede Paasdag verblijft hij bij de man;
  • op Vader- en Moederdag verblijft [minderjarige] vanaf de zaterdag ervoor om 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de ouder die het betreft;
  • tijdens Sinterklaas, de verjaardagen (van [minderjarige] en die van partijen) en Pinksteren geldt de reguliere zorg- en contactregeling;
  • daarbij te bepalen dat de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft hem brengt naar de andere ouder, waarbij het wisselmoment om 09.00 uur plaatsvindt, tenzij hiervoor anders vermeld;
althans een regeling in goede justitie te bepalen, kosten rechtens.
3.2.
De man voert verweer tegen voormelde verzoeken van de vrouw en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.
3.3.
De man verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandige verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om voormelde beschikking van deze rechtbank van 2 november 2023 alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan te wijzigen wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , en in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen te bepalen:
  • [minderjarige] verblijft in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man, met wisselmoment op maandag, waarbij [minderjarige] op maandagochtend op school wordt afgezet door de ouder bij wie hij tot dat moment verblijft en hij op maandagmiddag door de andere ouder wordt opgehaald bij wie hij vanaf dat moment verblijft (op niet-schooldagen om 10.00 uur);
  • De regeling met betrekking tot de verdeling van de vakanties te bepalen zoals opgenomen in productie 2 van het verweerschrift.

4.De standpunten

Het standpunt van de vrouw
4.1.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw stelt dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , zoals partijen met elkaar zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, tot veel wisselmomenten leidde. Deze regeling wordt daarom al enige tijd niet meer nagekomen. Op dit moment verblijft [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van de vrijdagmiddag tot de maandagochtend bij de man, alsmede in de andere week op de maandag en op de donderdag vanaf na schooltijd tot de volgende ochtend tot schooltijd. Deze regeling verloopt naar de mening van de vrouw ook niet goed. De man heeft namelijk regelmatig geen tijd voor [minderjarige] . In de tijd dat [minderjarige] op de dinsdag en de donderdag bij de man verblijft, wordt hij regelmatig opgevangen op de BSO. Op die dagen verblijft hij soms maar een uur bij de man. De man onderneemt ook niets met [minderjarige] , terwijl [minderjarige] daar wel behoefte aan heeft. Daarnaast komt het soms voor dat [minderjarige] met vuile kleren door de man wordt teruggebracht, dat zijn lunchtrommel geregeld niet wordt gevuld en dat zijn bedtijden niet worden nageleefd. De vrouw kan niet instemmen met een gelijke verdeling op basis van co-ouderschap, zoals door de man is verzocht omdat die naar de mening van de vrouw te veel onrust veroorzaakt met betrekking tot het heen en weer brengen van spullen en de wisselmomenten. De vrouw vindt een verdeling waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen in het weekend van de vrijdag tot de zondag bij de man verblijft, het meest in het belang van [minderjarige] . De vrouw hoopt hiermee te bereiken dat de man volledig beschikbaar is en blijft voor [minderjarige] en dat er sprake is van kwalitatief goed contact tussen hen.
4.2.
De vrouw stelt daarnaast dat het de ouders niet lukt om op een goede, constructieve manier met elkaar te communiceren en te overleggen over [minderjarige] . De vrouw ervaart de toon van de e-mailberichten van de man als dwingend en vervelend. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij instemt met een verwijzing van partijen naar zorg in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA), gericht op het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking. Dit onder de aanhouding van de definitieve beslissing op de verzoeken.
Het standpunt van de man
4.3.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man is van mening dat de huidige regeling op basis waarvan [minderjarige] bij hem verblijft, goed verloopt. Doordat de man sinds januari 2025 een andere baan heeft, kan hij [minderjarige] doordeweeks ophalen en brengen van en naar school. [minderjarige] hoeft ’s ochtends niet meer naar de BSO; enkel ’s middags tot 17.00 uur. Daarnaast betwist de man de beschuldigingen over de niet-gevulde lunchtrommel en over het niet-naleven van de bedtijden. Dat [minderjarige] soms met vuile kleren terugkomt bij de vrouw, heeft ermee te maken dat de vrouw in het verleden kleren die de man had gekocht voor [minderjarige] , niet heeft teruggegeven. De man is het eens met de vrouw dat het in het belang van [minderjarige] is om het aantal wisselmomenten te beperken maar ook dat hij evenveel tijd bij zijn beide ouders verblijft. De man verzoekt daarom om een evenredige verdeling te bepalen, waarbij [minderjarige] op basis van een week-op-week-af-regeling om en om bij zijn ouders verblijft. De ouders wonen bij elkaar in de buurt, dus deze regeling is ook haalbaar. Ondanks dat de man verschillende voorstellen heeft gedaan om te komen tot een uitgebreidere regeling en de ouders samen met hun advocaten een aantal viergesprekken hebben gevoerd, lukt het hen toch niet om tot overeenstemming hierover te komen. Ook niet met betrekking tot de verdeling van de vakanties, terwijl de man op zijn werk tijdig zijn vakantiedagen moet doorgeven.
4.4.
De man wordt verweten dat hij dwingend is in contact. De man heeft echter het gevoel dat hij te veel moet luisteren naar de vrouw. Hij vindt het ook vervelend dat hij naar zijn gevoel geen gelijkwaardige ouderrol heeft en dat hij niet door de vrouw over [minderjarige] wordt geïnformeerd. De man stemt ook in met een verwijzing van partijen naar zorg in het kader van het UHA.
Het advies van de Raad
4.5.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
De Raad vindt het belangrijk, in het belang van [minderjarige] , dat de ouders gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking. De Raad vindt het dan ook positief dat beide ouders open staan voor een verwijzing naar zorg in het kader van het UHA. Het verzoek van de moeder om de contactregeling tussen de man en [minderjarige] te verminderen tot eenmaal per veertien dagen een weekend, vindt de Raad in beginsel niet in het belang van [minderjarige] . Als het enigszins mogelijk is, vindt de Raad het namelijk in beginsel in het belang van [minderjarige] dat hij niet alleen in het weekend maar ook doordeweeks bij zijn beide ouders verblijft. De Raad adviseert daarom aan de ouders om dit mee te nemen tijdens de te voeren oudergesprekken.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
5.2.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
De rechtbank overweegt in dit verband dat de ouders in het door hen ondertekende ouderschapsplan, welke is gehecht aan voormelde (nadere) beschikking van de rechtbank van 2 november 2023, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] met elkaar zijn overeengekomen maar dat zij deze verdeling al enige tijd niet meer nakomen en dat zij in onderling overleg uitvoering geven aan een andere verdeling. Gelet hierop is er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van voormelde in het ouderschapsplan overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] rechtvaardigt.
5.3.
In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar teneinde het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.
Verwijzing naar zorg in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA)
5.4.
Tijdens de zitting is gebleken dat beide ouders bereid zijn om, in het kader van het UHA, onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking, met (onder meer) als doel om tot overeenstemming te komen over de geschilpunten in deze zaak.
5.5.
De rechtbank is ook van oordeel dat de communicatie en de samenwerking tussen de ouders verbetering behoeft. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-West. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.
5.6.
Met de inzet van het UHA-zorgtraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
  • De ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
  • Het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
  • De (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
  • Het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
  • Er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren;
  • De nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
Meer specifiek dienen de ouders in het kader van het UHA-traject te weken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking, waarbij zij zullen trachten om te komen tot volledige overeenstemming over de verzoeken/de onderwerpen in deze zaak, namelijk de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] (wat betreft de reguliere zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en zijn beide ouders alsmede met betrekking tot de vakanties en feestdagen). De rechtbank kan zich daarbij voorstellen dat partijen zullen proberen om te komen tot een door hen beiden gedragen ouderschapsplan dat is aangepast aan de huidige situatie.
5.7.
Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
5.8.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere zitting van de in deze procedure voorliggende verzoeken nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormelde verzoeken.
5.9.
Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.
5.10.
Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.
5.11.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
  • Past een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over [minderjarige] , bij de belangen van [minderjarige] ?
  • Hoe moet die verdeling er dan uit gaan zien (qua aard, duur en frequentie)?
5.12.
Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.13.
Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
5.14.
In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.
5.15.
De rechtbank overweegt dat zij ervan uitgaat dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. De belangen van [minderjarige] staan hierbij voorop.
Vaststelling voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.16.
De rechtbank vindt het van belang om in de tussentijd een voorlopige verdeling vast te stellen, zodat hierover duidelijkheid bestaat. De rechtbank zal bepalen dat de huidige verdeling waar de ouders uitvoering aan geven vooralsnog zal doorlopen. De rechtbank zal dus bepalen dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van de vrijdag uit school tot de maandag naar school bij de man verblijft, alsmede in de andere week op de maandag en op de donderdag vanaf 17.00 uur tot de volgende ochtend (dus tot respectievelijk de dinsdag- en de vrijdagochtend) naar school.
5.17.
Over de verdeling van de zomervakantie 2025 hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige] in de eerste drie weken bij de man verblijft (van zondag 6 juli 2025 tot en met zondag 27 juli 2025) en dat hij vervolgens drie weken bij de vrouw verblijft (van zondag 27 juli 2025 tot en met zondag 17 augustus 2025), met als wisselmoment zondag om 09.00 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft hem naar de andere ouder brengt. Daarnaast wordt bepaald dat [minderjarige] tijdens de zomervakantie iedere zondag omstreeks 16.00 uur contact heeft met de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft via videobellen. Om dit contactmoment goed te laten verlopen, zal de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft de andere ouder de zaterdag daarvoor per e-mail over [minderjarige] informeren over wat hij heeft meegemaakt en over wat hem bezighoudt zodat de andere ouder goed kan aansluiten bij [minderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit, als [minderjarige] zelf aangeeft dat hij behoefte heeft om vaker te (video)bellen met de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft, dat de ouders dat dan zullen toestaan. Vanaf de herfstvakantie 2025 gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders inmiddels nadere afspraken hebben gemaakt tijdens het UHA-zorgtraject.
5.18.
Voormelde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt nadrukkelijk als minimumregeling. Zoals hiervoor is overwogen, is het immers de bedoeling dat de ouders tijdens het UHA-traject hierover nadere afspraken zullen maken. In goed onderling overleg kunnen zij deze regeling dus uitbreiden of anderszins aanpassen. Als de ouders hier niet samen uitkomen, dan geldt voormelde voorlopige verdeling onverkort totdat de rechtbank definitief heeft beslist op de verzoeken in deze zaak.
5.19.
De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door beide ouders is verzocht. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.20.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders
voorlopig, totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
  • reguliere regeling: eenmaal per veertien dagen van de vrijdag uit school tot de maandag naar school, alsmede in de andere week op de maandag en op de donderdag vanaf 17.00 uur tot de volgende ochtend (dus tot respectievelijk de dinsdag- en de vrijdagochtend) naar school;
  • tijdens de zomervakantie 2025: in de eerste drie weken verblijft [minderjarige] bij de man (van zondag 6 juli 2025 tot en met zondag 27 juli 2025) en vervolgens verblijft [minderjarige] drie weken bij de vrouw (van zondag 27 juli 2025 tot en met zondag 17 augustus 2025), met als wisselmoment zondagochtend om 09.00 uur, waarbij [minderjarige] iedere zondag omstreeks 16.00 uur contact heeft met de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft via videobellen;
waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft hem naar de andere ouder brengt, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.16 en 5.17 is overwogen;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verwijst de ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.6 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-West. Het loket zal de ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);
6.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op
dinsdag 21 april 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.6.
verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;
6.7.
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.11 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.8.
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
6.9.
houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken van de man en de zelfstandige verzoeken van de vrouw betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan;
6.10.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025 door mr. Bogaert, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.