ECLI:NL:RBZWB:2025:5137

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/431549 / FA RK 25-593
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking over wijziging ouderlijk gezag en vaststelling contact-/omgangsregeling in afwachting van hulpverlening

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 juli 2025 een tussenbeschikking uitgesproken in een rekestprocedure betreffende de wijziging van het ouderlijk gezag en de vaststelling van een omgangsregeling voor twee minderjarigen. De vrouw, vertegenwoordigd door mr. B. Krijnen, verzoekt om een omgangsregeling waarbij de man, vertegenwoordigd door mr. C.A.H. Boom, eenmaal per twee weken contact heeft met de minderjarigen. De vrouw heeft zorgen over de veiligheid van de kinderen en de capaciteiten van de man om voor hen te zorgen, terwijl de man verweer voert tegen de beschuldigingen van de vrouw en zelf verzoekt om gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank heeft de verzoeken aanhouden voor zes maanden in afwachting van de uitkomst van een hulpverleningstraject dat door de ouders is gestart. Tevens is er een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de man en de minderjarigen eenmaal per twee weken een dagdeel contact hebben, onder begeleiding van een zorgaanbieder. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is. De zaak wordt pro forma op 27 januari 2026 opnieuw beoordeeld.

Uitspraak

tussenbeschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/431549 / FA RK 25-593
Datum uitspraak: 24 juli 2025
Tussenbeschikking over wijziging ouderlijk gezag en vaststelling contact-/omgangsregeling
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. B. Krijnen in [woonplaats 1],
tegen
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. C.A.H. Boom in Utrecht,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 1];
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 2],
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • het op 31 januari 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • het op 11 maart 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
  • het op 12 juni 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 13 juni 2025 van mr. Boom, met bijlagen.
1.2.
Op 18 juni 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Krijnen;
  • de man, bijgestaan door mr. Boom;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. De minderjarigen zijn tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3.
De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4.
De minderjarigen wonen bij de vrouw.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na een mondelinge wijziging van het verzoek:
I. Een omgangsregeling te bepalen op basis waarvan de man en de minderjarigen eenmaal per twee weken, bijvoorbeeld op vrijdag, gedurende een dagdeel onder begeleiding gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar;
II. De Raad te bevelen om een onderzoek te doen naar een passende omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen en de beslissing over de definitieve omgangsregeling aan te houden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door de Raad en/of een nader door de vrouw te formuleren verzoek tot vaststelling omgang;
III. Althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De man voert verweer tegen voormelde verzoeken van de vrouw en verzoekt deze af te wijzen.
3.3.
Daarnaast verzoekt de man, bij wijze van zelfstandige verzoeken, uitvoerbaar bij voorraad:
  • De man samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen;
  • Een zorgregeling vast te stellen op basis waarvan de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 15.00 uur (uit school) tot zondagmiddag 18.00 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de man de minderjarigen op vrijdag ophaalt en de vrouw hen op zondag weer ophaalt bij de man.

4.De standpunten

Het standpunt van de vrouw
4.1.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Inmiddels is er al gedurende enkele maanden geen sprake meer van contact tussen de man en de minderjarigen. Daarvoor hadden zij slechts af en toe contact met elkaar in aanwezigheid van de vrouw. De man en de minderjarigen hebben wel wekelijks telefonisch contact met elkaar. De vrouw wil graag dat er sprake is van een structureel contact tussen de man en de minderjarigen, mits de veiligheid van de minderjarigen daarbij is gewaarborgd. Vanwege wat er in het verleden is gebeurd, is de vrouw echter angstig voor de man. Daarnaast maakt zij zich zorgen of de man wel in staat is om op een goede manier voor de minderjarigen te zorgen. De vrouw stelt in dat verband dat de man een licht verstandelijke beperking en ADHD heeft, met als gevolg dat hij snel overprikkeld raakt en hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft. De man gedraagt zich regelmatig agressief richting de vrouw en de minderjarigen. Ook heeft hij bedreigingen geuit en spullen in huis kapotgemaakt. Dit maakt dat de vrouw op dit moment niet in staat is om zelf het gesprek met de man aan te gaan en om in te zetten op contact(herstel) tussen de man en de minderjarigen.
4.2.
De vrouw stelt dat partijen in het verleden een mediationtraject zijn gestart maar dat dit traject vroegtijdig is afgesloten. Inmiddels zijn partijen via Team Wijz van de gemeente Waalwijk verwezen naar [zorgaanbieder] voor het doorlopen van een ouderschapsbemiddelingstraject. [zorgaanbieder] zal ook inzetten op contact(herstel) tussen de man en de minderjarigen, met omgangsbegeleiding.
4.3.
De vrouw verzoekt, gelet op het voorgaande, om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de (on)mogelijkheden voor contact tussen de man en de minderjarigen en, als contact in het belang van de minderjarigen wordt geacht, te adviseren over welke omgangsregeling het meest tegemoetkomt aan de belangen van de minderjarigen.
4.4.
Nu er nauwelijks sprake is van communicatie en samenwerking tussen de ouders en vanwege de angsten die de vrouw ten aanzien van de man ervaart, ziet de vrouw geen mogelijkheden voor gezamenlijk ouderlijk gezag. Daarbij vraagt de vrouw zich af of de man, gezien zijn persoonlijke problematiek, in staat is om op een goede manier het gezag uit te oefenen. De vrouw heeft ten slotte aangegeven dat zij bereid is om de man iedere eerste zondag van de maand via de e-mail te informeren over de minderjarigen.
Het standpunt van de man
4.5.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man betwist dat hij kampt met woede-uitbarstingen, dat hij agressief gedrag heeft vertoond tegenover de vrouw en/of de minderjarigen, dat hij de vrouw heeft bedreigd en dat hij spullen in huis heeft kapotgemaakt. De man heeft weliswaar een aantal boze berichten aan de vrouw gestuurd maar dit waren geen dreigementen. Volgens de man heeft juist de vrouw spullen vernield, hun relatie op een manipulatieve manier in stand gehouden en heeft zij gedreigd dat de man zijn kinderen nooit meer zal zien. De man betwist bovendien dat hij niet voor de minderjarigen kan zorgen. Tijdens de relatie van partijen, was de man de hoofdverzorger van de minderjarigen. Momenteel krijgt de man enkel op administratief vlak persoonlijke hulpverlening.
4.6.
De man stelt dat de betrokken hulpverlening al meermaals heeft vastgesteld dat er geen begeleiding nodig is om de contacten tussen de man en de minderjarigen te herstellen en dat de vrouw al zijn voorstellen om te komen tot contact(herstel) afwijst. De man stelt dat partijen tijdens het mediationtraject dat zij hebben doorlopen, met elkaar hebben afgesproken dat de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot zondag bij de man verblijven alsmede tijdens de helft van de vakanties maar dat de vrouw heeft geweigerd om die afspraak te ondertekenen. De contacten die tot op heden hebben plaatsgevonden, verlopen bovendien voor de man op een onveilige manier omdat de vrouw het contact opneemt en omdat zij foto’s en video’s daarvan naar familie en vrienden stuurt. De man wil graag dat er een goede omgangsregeling wordt bepaald en dat de vrouw zich daaraan houdt.
4.7.
De man stemt in met een raadsonderzoek. Daarnaast verzoekt hij, bij wijze van zelfstandig verzoek, om hem samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag. Dat er sprake is van een moeizame communicatie en samenwerking tussen de ouders, maakt niet dat dient te worden afgeweken van het uitgangspunt dat de ouders samen het gezag over hun kind(eren) uitoefenen.
Het advies van de Raad
4.8.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
De Raad vindt het zorgelijk dat de minderjarigen, die nog erg jong zijn, al langdurig niet dan wel nauwelijks contact hebben met hun vader. Dit is schadelijk voor hun (verdere) ontwikkeling. De ouders hebben discussie over wat er wel en niet is gebeurd. Tegelijkertijd komt de betrokken hulpverlening binnen het vrijwillig kader niet verder. De Raad adviseert daarom om de hulpverlening vanuit [zorgaanbieder], die binnenkort zal starten, in het kader van het Uniform HulpAanbod (UHA) voort te zetten. Deze hulpverlening kan daardoor op een meer dwingende manier worden ingezet. Bovendien kan de Raad, bij een niet-geslaagd traject, beslissen om een raadsonderzoek te verrichten. De Raad ziet geen meerwaarde om nu direct een onderzoek te verrichten, zoals beide ouders dat graag willen. Het advies wat de Raad naar aanleiding van dat onderzoek dan hoogstwaarschijnlijk zal geven, is namelijk dat de ouders hulpverlening nodig hebben. De Raad adviseert daarnaast om een voorlopige (minimum)omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen, zodat hierover duidelijkheid bestaat.

5.beoordeling

5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Wettelijk kader
5.2.
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.
5.3.
In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek slechts kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Uit de overgelegde stukken en uit wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de ouders tegenstrijdig verklaren over wat er wel en niet is gebeurd tussen hen. De vrouw stelt dat de man agressief gedrag vertoont en dat hij bedreigingen uit en dat zij zich zorgen maakt of de man in staat is om op een goede manier voor de minderjarigen te zorgen.
Dit wordt door de man betwist. Volgens hem zijn er juist zorgen over de (opvoed)situatie van de vrouw en houdt zij hem tegen om contact te mogen en kunnen hebben met de minderjarigen. Wat hier ook van zij, duidelijk is dat er sprake is van een moeizame onderlinge communicatie tussen de ouders en dat er sprake is van onderling wantrouwen. Positief is dat beide ouders van mening zijn dat er wel sprake moet zijn van contact tussen de man en de minderjarigen - mits dit veilig plaatsvindt - en dat zij ervoor openstaan om hulpverlening te accepteren om de verstandhouding tussen hen te verbeteren en om te komen tot contact(herstel) tussen de man en de minderjarigen.
5.5.
Gebleken is dat partijen inmiddels, via Team Wijz van de gemeente Waalwijk, zijn verwezen naar de [zorgaanbieder] voor een vorm van ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Deze informatie is van belang voor de beoordeling op de verzoeken in deze zaak. De rechtbank acht zich daarom op dit moment onvoldoende geïnformeerd om te kunnen beslissen op de verzoeken. Nu het verloop en het resultaat van het traject vanuit [zorgaanbieder] eveneens van belang is bij een onderzoek door de Raad, ziet de rechtbank, net als de Raad, op dit moment ook geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten, zoals door beide ouders is verzocht. Van belang is namelijk dat partijen eerst het hulpverleningstraject bij [zorgaanbieder] zullen doorlopen. De rechtbank ziet tot slot geen mogelijkheden om voormeld traject in het kader van het UHA voort te zetten, zoals door de Raad is geadviseerd, omdat hiervoor de instemming van beide ouders is vereist en daar is hier geen sprake van,
5.6.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing op alle voorliggende verzoeken aanhouden voor de duur van zes maanden, tot de hierna te noemen pro forma datum, in afwachting van het verloop en het resultaat van het hulpverleningstraject dat partijen zullen doorlopen bij [zorgaanbieder]. De rechtbank verzoekt aan de advocaten van partijen om haar uiterlijk op die datum schriftelijk te informeren over het verloop van de hulpverlening en om daarbij het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
Vaststelling voorlopige omgangsregeling
5.7.
De rechtbank zal daarnaast, met instemming van beide partijen, als voorlopige regeling vaststellen dat de man en de minderjarigen eenmaal per twee weken een dagdeel (bijvoorbeeld op vrijdag) gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de omgang in ieder geval in eerste instantie onder de begeleiding van [zorgaanbieder] dient plaats te vinden. Dit is nadrukkelijk een minimumregeling. De bedoeling is dat de ouders onder leiding van [zorgaanbieder] met elkaar in gesprek zullen gaan over het uitbreiden (of aanpassen) hiervan. Daarbij is het aan [zorgaanbieder] om te bezien of en zo ja, op welke manier de omgangsregeling kan en zal worden aangepast (in frequentie, in duur en/of in vorm zoals begeleid of onbegeleid). Het belang van de minderjarigen staat hierbij voorop.
5.8.
De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige omgangsregeling, gelet op de aard daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door partijen is verzocht. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat de man en de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats],
voorlopig, totdat definitief is beslist, eenmaal per veertien dagen gedurende een dagdeel (bijvoorbeeld op vrijdag) gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de omgang in ieder geval in eerste instantie onder begeleiding van [zorgaanbieder] dient plaats te vinden en de regie over de uitbreiding daarvan bij [zorgaanbieder] is gelegen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.7 is overwogen;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de (definitieve) beslissing over de verzoeken aan tot
dinsdag 27 januari 2026 PRO FORMA, in afwachting van schriftelijk bericht van de advocaten van partijen over de voortgang en eventueel het resultaat van de hulpverlening en hun standpunten over het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.6 is overwogen;
6.4.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2025 door mr. Bogaert, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.