ECLI:NL:RBZWB:2025:5138

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/425535 / FA RK 24-3711
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap ondanks weigering van DNA-onderzoek

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van het ouderschap van de man over de minderjarige, geboren op [geboortedag 1] 2020. De man heeft echter geweigerd mee te werken aan een door de rechtbank gelast DNA-onderzoek. De rechtbank heeft in haar overwegingen vastgesteld dat, ondanks de weigering van de man, er voldoende aanwijzingen zijn dat hij de biologische vader van de minderjarige is. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de wettelijke bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, die het mogelijk maken om het ouderschap vast te stellen, zelfs zonder DNA-onderzoek, indien de man niet meewerkt. De rechtbank heeft de man veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek, dat niet heeft plaatsgevonden, en heeft de beslissing op de overige verzoeken pro forma aangehouden. De rechtbank heeft ook de taak van de bijzondere curator beëindigd, maar deze kan herleven indien er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking zal worden toegestuurd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand voor aantekening op de geboorteakte van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/425535 / FA RK 24-3711
Datum uitspraak: 31 juli 2025
(Nadere) beschikking over gerechtelijke vaststelling ouderschap
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. [de bijzondere curator], advocaat, kantoorhoudende te [plaats] , in haar hoedanigheid als bijzondere curator over [minderjarige] , hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[minderjarige], voornoemd,
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen te Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1.
Het verdere procesverloop
1.1. Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • de beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van 3 april 2025 van de deskundige Verilabs Nederland B.V. te Gouda (hierna te noemen: de deskundige);
  • het F9-formulier van 15 april 2025 van mr. Segeren-Krijnen;
  • de brief van 22 april 2025 van mr. Teusink.

2.De nadere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde beschikking van 14 januari 2025. Bij deze beschikking heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de verwekker is van de minderjarige [minderjarige] . De rechtbank heeft Verilabs B.V. te Gouda benoemd als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de kosten van dit deskundigenonderzoek, vooralsnog begroot op een totaalbedrag van € 755,= (inclusief BTW), in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, vooralsnog ten laste komen van 's-Rijks kas. De beslissing op alle in deze zaak voorliggende verzoeken is ten slotte pro forma aangehouden in afwachting van het deskundigenrapport, tot 15 april 2025.
2.2.
Aan de orde zijn nog de verzoeken van de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • tot vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] ;
  • tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] ;
  • tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie.
2.3.
In voormelde brief van 3 april 2025 heeft de deskundige, samengevat en voor zover hier van belang, aangegeven dat zij inmiddels in het bezit is van DNA-materiaal van de vrouw en [minderjarige] met het oog op het verrichten van het deskundigenonderzoek in deze zaak, maar dat zij, ondanks herhaalde oproepen, niets heeft vernomen van de man. Gelet hierop kan het deskundigenonderzoek in deze zaak vooralsnog niet worden verricht. De deskundige verzoekt daarom om de pro forma termijn die haar is geboden voor het overleggen van het deskundigenrapport, uit te stellen en haar verdere instructies te geven.
2.4.
In voormeld F9-formulier van 15 april 2025 heeft mr. Segeren-Krijnen, namens de man, aangegeven dat de man de beslissing heeft genomen om niet mee te werken aan het DNA-onderzoek. Een uitstel van de pro forma datum voor het overleggen van de deskundigenrapportage, zoals door de deskundige is verzocht, zal vermoedelijk dan ook niet leiden tot een ander standpunt bij de man.
2.5.
In voormelde brief van 22 april 2025 heeft mr. Teusink, namens de vrouw, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Gezien voormelde brief van de deskundige en de reactie daarop van de advocaat van de man, stelt de vrouw zich primair op het standpunt dat de rechtbank uit de weigering van de man om zijn medewerking te verlenen aan het deskundigenonderzoek in deze zaak de conclusies kan trekken die zij geraden acht, in die zin dat het ouderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk kan worden vastgesteld en de procedure met betrekking tot de overige voorliggende verzoeken kan worden voortgezet. Subsidiair verzoekt de vrouw om de man op straffe van een dwangsom te bevelen om alsnog zijn medewerking te verlenen aan het deskundigenonderzoek.
2.6.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gerechtelijke vaststelling ouderschap
2.7.
In artikel 1:207, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang voor de beoordeling van het verzoek, dat het ouderschap van een persoon, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van:
de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
het kind.
In het tweede lid van dit artikel staat dat vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden, indien:
het kind twee ouders heeft;
tussen de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zou mogen worden geregistreerd;
de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.
2.8.
In artikel 1:207, derde lid BW staat, voor zover hier van belang voor de beoordeling van het verzoek, dat het verzoek door de moeder kan worden ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind. Aangezien [minderjarige] is geboren op [geboortedag 1] 2020 en het verzoek namens de vrouw is ingediend op 13 augustus 2024, is het verzoek tijdig ingediend en kan de vrouw dus worden ontvangen in haar verzoek.
2.9.
Bij voormelde beschikking van 14 januari 2025 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] . Zoals de rechtbank in voormelde beschikking reeds nadrukkelijk heeft overwogen, zijn partijen op grond van het bepaalde in artikel 198, derde lid Rv verplicht om mee te werken aan het deskundigenonderzoek. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Dit betekent dat de rechtbank ook zonder uitslag van het DNA-onderzoek kan beslissen op de aan de rechtbank voorliggende verzoeken.
2.10.
Gebleken is dat de man, ondanks herhaalde oproepen, niet heeft meegewerkt aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek in deze zaak. Uit de reactie van de advocaat van de man blijkt bovendien dat de man besloten heeft om ook in de toekomst niet mee te werken aan DNA-onderzoek. Vanwege de weigering van de man kan het DNA-onderzoek niet worden verricht en gezien zijn reactie, bestaat ook niet de gerechtvaardigde verwachting dat hij binnen een afzienbare termijn alsnog zijn medewerking daaraan zal verlenen.
2.11.
Uit de eerder overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling op 17 december 2024 is besproken, blijkt dat de vrouw zeker weet dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Zij heeft dit onderbouwd met een aantal foto’s waaruit blijkt dat de man bij de geboorte van [minderjarige] aanwezig was, hij de navelstreng heeft doorgeknipt en hij [minderjarige] heeft laten zien aan zijn eigen moeder. Hij staat op de foto met [minderjarige] en zijn moeder. Hoewel het voor de man niet vast staat dat hij de biologische vader van [minderjarige] is, sluit hij dit ook niet uit. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook meerdere aanknopingspunten dat de man de verwekker van [minderjarige] is. Daar tegenover staat dat de man, voor zover hij niet de verwekker van [minderjarige] zou zijn, gemakkelijk had kunnen ontkrachten dat hij de verwekker van [minderjarige] is door zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek. Dit heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft ook niet aangegeven waarom hij niet wil meewerken aan het DNA-onderzoek. De rechtbank trekt hieruit de gevolgtrekking dat het voldoende aannemelijk is dat de man inderdaad de verwekker van [minderjarige] is, maar dat hij kennelijk, om voor hem moverende en voor de rechtbank onbekende redenen, niet wil dat hij in een familierechtelijke relatie tot [minderjarige] komt te staan. Voor zover de man persoonlijke redenen heeft om niet in een familierechtelijke relatie tot [minderjarige] te willen staan, is gezien het bepaalde in artikel 1:207, eerste lid BW, ook geen plaats voor een belangenafweging.
2.12.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat van één of meerdere situaties zoals genoemd in artikel 1:207, tweede lid BW geen sprake is.
2.13.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] . Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal daarom op onderstaande wijze worden toegewezen.
Geslachtsnaam
2.14.
In artikel 1:5, tweede lid BW staat dat, indien een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, het de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de moeder en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben.
2.15.
De rechtbank overweegt dat de vrouw een gezamenlijke verklaring zoals bedoeld in voormeld artikel niet hebben gedaan. Dit betekent dat de rechtbank voor de volledigheid zal verstaan dat [minderjarige] de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam van de vrouw] ” zal behouden.
Kosten van het DNA-onderzoek
2.16.
Bij voormelde beschikking van 14 januari 2025 heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op € 755,= (inclusief BTW), in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, en deze kosten vooralsnog ten laste laten komen van 's-Rijks kas.
2.17.
De deskundige heeft inmiddels desgevraagd aangegeven dat de kosten van het deskundigenonderzoek dat slechts ten dele is verricht, definitief zijn begroot op € 120,= (inclusief BTW), hetgeen ten gunste van partijen afwijkt van de voorlopige begroting.
2.18.
Namens de vrouw is eerder verzocht om de kosten van het DNA-onderzoek ten laste te laten komen van ’s Rijks kas. Namens de man is eerder (primair) verzocht om de kosten van het DNA-onderzoek ten laste te laten komen van ’s Rijks kas, dan wel (subsidiair) om de kostenverdeling tussen partijen te koppelen aan de uitkomst van het onderzoek en aan de medewerking van partijen.
2.19.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden gecompenseerd, waarbij de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen.
2.20.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de kosten ten laste te laten komen aan ’s Rijks kas, zoals primair namens beide partijen is verzocht. Dit kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld slechts de rechtbank een DNA-onderzoek noodzakelijk heeft geacht en dit onderzoek de stellingen van partijen heeft bevestigd. Dat beide partijen procederen op basis van een toevoeging doet hier niet aan af. Het verzoek van partijen om de kosten van het DNA-onderzoek ten laste te laten komen van ’s Rijks kas zal daarom worden afgewezen.
2.21.
Gelet op de weigering van de man om zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek alsmede de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de rechtbank op grond van al het voorgaande het ouderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk zal vaststellen, zal de rechtbank de man als “in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de man een bedrag van € 120,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).
Beëindiging taak van de bijzondere curator
2.22.
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal nemen over het afstammingsverzoek in deze zaak, zal de rechtbank de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd beschouwen. Indien er een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen voormelde afstammingsbeslissing in deze zaak, oftewel als er hoger beroep wordt ingesteld tegen die beslissing, dan zal de taak van de bijzondere curator herleven.
Toesturen van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
2.23.
De rechtbank zal deze beschikking toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar [minderjarige] is geboren, in dit geval de gemeente Bergen op Zoom , en die ambtenaar gelasten van deze beschikking betreffende de gerechtelijke vaststelling ouderschap, wanneer deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte van [minderjarige] .
Aanhouding resterende verzoeken
2.24.
Nu de rechtbank het ouderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk zal vaststellen, zal de rechtbank de beslissing op de overige verzoeken pro forma aanhouden voor de duur van drie maanden, tot hierna te noemen datum, met het verzoek aan de advocaten van partijen om uiterlijk op die datum het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak aan te geven met betrekking tot de resterende verzoeken in deze zaak. De rechtbank bepaalt deze termijn op drie maanden met het oog op de hoger beroepstermijn die geldt met betrekking tot de beslissing tot gerechtelijke vaststelling ouderschap.
2.25.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
stelt het ouderschap vast van de heer [de man] , geboren op [geboortedag 2] 1981 in [geboorteplaats 2], [land], over de [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ;
3.2.
verstaat dat [minderjarige] de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam van de vrouw] ” behoudt;
3.3.
beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze zaak als beëindigd;
3.4.
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank, wanneer voormelde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Bergen op Zoom , om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
3.5.
stelt de kosten van de deskundige vast op € 120,= (inclusief BTW);
3.6.
bepaalt dat de man de kosten van de deskundige moet voldoen, zijnde een bedrag van € 120,= (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;
3.7.
wijst de verzoeken van partijen wat betreft de kostenveroordeling voor het overige af;
3.8.
houdt de beslissing in deze zaak voor het overige aan tot
dinsdag 11 november 2025 PRO FORMA, in afwachting van de schriftelijke reacties van de advocaten over het door partijen gewenste verdere procesverloop met betrekking tot de resterende verzoeken in deze zaak over vaststelling omgang en vaststelling kinderalimentatie;
3.9.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025 door mr. Van Triest, rechter, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.