ECLI:NL:RBZWB:2025:5142

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/436110 / JE RK 25-1002
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de ondertoezichtstelling van minderjarigen in een complexe gezinszaak met angsten voor ontvoering

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen. De minderjarigen en hun moeder ervaren forse angsten en voelen zich bedreigd door de vader, wat leidt tot een gebrek aan constructieve communicatie tussen de ouders, ondanks gezamenlijk ouderlijk gezag. De kinderrechter heeft de zaak behandeld met gesloten deuren, waarbij de moeder, de vader en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig waren. De GI heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar, onderbouwd door zorgen over de veiligheid van de minderjarigen en de onveilige situatie die door de vader wordt gecreëerd. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de noodzakelijke hulpverlening niet op vrijwillige basis kan worden voortgezet. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling verlengd tot 7 augustus 2026, met de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436110 / JE RK 25-1002
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,
over de minderjarigen
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.M. Lindhout-Schot te Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2025;
  • het op 5 juni 2025 ontvangen bericht van de GI, met bijlage;
  • de brief van 8 juli 2025 van mr. Lindhout-Schot;
  • het op 16 juli 2025 ontvangen bericht van de GI, met bijlagen.
1.2.
Op 23 juli 2025 heeft de kinderrechter het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder;
  • de vader, bijgestaan door mevrouw [naam], tolk in de Egyptisch-Arabische taal (met [tolkennummer]);
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
Mr. Lindhout-Schot is, met bericht van afmelding, niet bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.
1.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, gezien hun leeftijd, het recht om in deze zaak hun mening te geven. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [minderjarige 1] haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft haar mening verwoord in een brief. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter een samenvatting van wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven, gedeeld met de aanwezigen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 3] .
2.2.
De minderjarigen wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 7 augustus 2024 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 augustus 2024 tot
7 augustus 2025.

3.Het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
3.3.
In de afgelopen periode is er vanuit [jeugdzorg] gezinsbegeleiding en een kindbehartiger ingezet. Daarnaast is er bij beide ouders een onderzoek verricht met de MASIC-methode. Hieruit is naar voren gekomen dat de moeder een hoge mate van onveiligheid ervaart ten aanzien van de vader. De moeder vreest namelijk dat de vader in het bezit is van Egyptische paspoorten van de minderjarigen en dat hij hen, met behulp daarvan, zal ontvoeren. Daarnaast zijn er signalen dat [minderjarige 1] ervaringen heeft meegemaakt die niet passend zijn bij haar seksuele ontwikkeling. [jeugdzorg] adviseert daarom om in ieder geval ten aanzien van [minderjarige 1] , en wellicht ook ten aanzien van [minderjarige 2] , een traumascreening en mogelijk ook traumabehandeling in te zetten. [jeugdzorg] waarschuwt bovendien voor secundaire traumatisering.
3.4.
De GI heeft geprobeerd om een inschatting te maken van het risico op kinderontvoering van de minderjarige(n) door de vader. Daarbij is onder meer betrokken dat vast is komen te staan dat de vader in het verleden een andere ex-partner in Egypte heeft achtergelaten en dat hij haar paspoort vervolgens heeft meegenomen naar Nederland. Hoewel de GI niet weet wat er in het verleden precies wel en niet is gebeurd, is dit wel een duidelijke aanwijzing die de angsten van de moeder ondersteunt. Tegelijkertijd heeft de GI de indruk dat de angsten die de moeder ervaart deels een eigen leven zijn gaan leiden, waarbij zij haar angsten overbrengt op de minderjarigen. Omdat uit het MASIC-onderzoek naar voren is gekomen dat de minderjarigen ook forse angsten ervaren ten aanzien van hun vader, ziet de GI op dit moment geen mogelijkheden voor contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen.
3.5.
De GI stelt dat de gezinsbegeleiding inmiddels voortijdig is gestopt vanwege het gedrag van de vader en de daaruit voortkomende onveiligheid. Er wordt een patroon gezien waarbij de vader aangeeft dat hij zich ongehoord en gediscrimineerd voelt. Als gevolg daarvan zijn er in het verleden al meerdere hulpverleningstrajecten vroegtijdig beëindigd. De GI heeft geprobeerd om met de vader in gesprek te gaan, maar hij houdt dit contact af. De vader laat de GI ook niet uitspreken wanneer zij probeert om antwoord te geven op zijn vragen. Daardoor kan er onvoldoende zicht worden verkregen op de (opvoed)situatie van de vader. De GI vindt het zorgelijk dat de vader niet in staat is om naar zijn eigen aandeel te kijken in de ontstane situatie en daarop te reflecteren. Als deze situatie niet op een voldoende positieve manier verandert, dan overweegt de GI om de Raad voor de Kinderbescherming te vragen om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel.
3.6.
Gelet op het voorgaande is de GI van mening dat een ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog steeds noodzakelijk is.

4.De standpunten

4.1.
De moeder stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder is angstig voor de vader en vreest dat hij de minderjarigen zal ontvoeren en/of dat hij hen wat zal aandoen. De vader heeft de minderjarigen namelijk bedreigd met geweld, mishandeling of ontvoering naar Egypte zodra zij gaan praten. Voormelde bedreigingen zijn weliswaar in het verleden door de vader geuit, maar zien dus op het heden. De moeder heeft verder aangegeven dat zij niet over haar angsten praat met de minderjarigen en dat [minderjarige 3] haar vader niet eens heeft gekend, maar dat zij bepaalde dingen wel meekrijgt, omdat haar zussen erover praten.
4.2.
De vader stemt ook in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader is van mening dat de moeder schuldig is aan de ontstane situatie. Alle zorgen en beschuldigingen die zij heeft geuit, zijn volgens de vader leugens. De vader stelt daarnaast dat het contact tussen hem en de GI niet goed verloopt. Als hij luistert naar de GI en hij instemt met wat er wordt gezegd of gevraagd, dan is hij in de ogen van de GI een goede vader. Maar als hij zijn eigen mening geeft, hij iets wil uitpraten of hij bewijzen overlegt, dan ziet de GI hem als een slechte vader. De vader heeft het gevoel dat hij wordt tegengewerkt door de moeder, de GI en zijn tweede ex-partner met wie de moeder samenspant. De vader heeft een klacht ingediend tegen de GI. Deze klachtenprocedure loopt nog.
4.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, samengevat, in hun gesprek met de kinderrechter onder meer het volgende aangegeven. Zij hebben en willen geen contact hebben met hun vader. Met de jeugdbeschermer van de GI hebben zij een goede band. Zij willen graag dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Hoewel de kinderrechter op basis van de hem beschikbare informatie niet kan vaststellen wat er in het verleden precies wel en niet is gebeurd in relatie tussen enerzijds de vader en anderzijds de moeder en de minderjarigen, is duidelijk gebleken dat zowel de moeder als de minderjarigen forse angsten hebben en dat zij zich onveilig en bedreigd voelen vanwege de vader. In verband daarmee is er ook geen sprake van een constructieve communicatie en samenwerking tussen de ouders, terwijl zij gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Reeds gelet hierop worden de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Van belang is dan ook dat de minderjarigen en beide ouders de nodige hulpverlening, behandeling en begeleiding krijgen. Vanwege de forse angsten die de moeder en de minderjarigen ervaren ten aanzien van de vader, is het naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment niet mogelijk om de noodzakelijk geachte hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
5.4.
Gezien de complexiteit van voormelde zorgen en met het oog op wat er nog moet gebeuren, waaronder een traumascreening en eventueel traumabehandeling voor de minderjarigen, zal de kinderrechter het verzoek, dat niet is weersproken, toewijzen voor de verzochte duur van een jaar. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling zal worden verlengd tot 7 augustus 2026.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep de beslissing niet schorst.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 7 augustus 2025 tot 7 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.