ECLI:NL:RBZWB:2025:5145

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/436945 / JE RK 25-1153
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van minderjarigen met afwijzing van resterend verzoek

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van zes maanden, tot 11 februari 2026, en het resterende deel van het verzoek afgewezen. De kinderrechter oordeelde dat er nog steeds een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen aanwezig is, waardoor de hulpverlening noodzakelijk blijft. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar er is momenteel geen contact tussen de vader en de minderjarigen. De moeder heeft aangegeven dat zij in staat is om zelfstandig voor de kinderen te zorgen, maar de kinderrechter achtte het nog te vroeg om de hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. De kinderrechter heeft benadrukt dat de GI (gecertificeerde instelling) betrokken blijft bij de hulpverlening en dat er een borgingsplan moet worden opgesteld. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze per direct van kracht is. De uitspraak is openbaar gedaan en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436945 / JE RK 25-1153
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over de minderjarigen
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;
  • het op 8 juli 2025 ontvangen bericht van mr. J.J. Bronsveld (als voormalig advocaat van de vader).
1.2.
Op 23 juli 2025 heeft de kinderrechter het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling stelt de kinderrechter vast dat de vader niet is verschenen. Aangezien de vader in deze procedure is aangemerkt als belanghebbende, dient de kinderrechter te controleren of hij correct is opgeroepen. De kinderrechter stelt vast dat de vader, met inachtneming van een minimale termijn van een week, per gewone post voor de mondelinge behandeling is opgeroepen op het kantooradres van zijn voormalig advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom. Mr. Bronsveld heeft in voormeld op 8 juli 2025 ontvangen bericht aangegeven dat hij de vader in deze zaak weliswaar niet bijstaat, maar dat de vader niet zal verschijnen tijdens de mondelinge behandeling op 23 juli 2025. Gelet hierop stelt de kinderrechter vast dat de vader, alhoewel hij met een oproeping op het kantooradres van zijn voormalig advocaat formeel niet correct is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, hij daarvan wel op de hoogte was, maar dat hij ervoor heeft gekozen om niet te zullen verschijnen. De kinderrechter heeft de mondelinge behandeling van het verzoek daarom buiten aanwezigheid van de vader voortgezet.
1.4.
De minderjarigen hebben, gezien hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaak te geven. Zij zijn daarom per brief uitgenodigd om kenbaar te maken of zij hun mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter willen geven, maar zij hebben niet gereageerd.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.2.
De minderjarigen wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2023 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 11 augustus 2023 tot 11 augustus 2024.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 juli 2024 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 11 augustus 2025.

3.Het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
3.3.
In de afgelopen periode is er intensieve ambulante gezinsbehandeling (IAG) ingezet in de opvoedsituatie van de moeder. Voormeld traject is inmiddels positief afgerond, waarbij is geconcludeerd dat de moeder over goed genoeg ouderschap beschikt. Om ervoor te zorgen dat het ook goed blijft gaan, is wel geadviseerd om extra ondersteuning in te zetten. [hulpverlener 1] is in dat verband ingezet en constateert dat de moeder de positieve ontwikkelingen blijft voortzetten. Daarnaast is er in de afgelopen periode, ter aanvulling op het eerdere onderzoek dat is verricht vanuit [hulpverlening] , een aanvullend onderzoek verricht vanuit [hulpverlener 2]. Naar aanleiding daarvan zijn de moeder en de minderjarigen inmiddels aangemeld bij [hulpverlening] . [hulpverlening] zal starten met observatie en, naar aanleiding daarvan, onder meer inzetten op passende hulpverlening voor de minderjarigen en op EMDR- en traumabehandeling voor de moeder. De GI heeft gekozen voor [hulpverlening] , omdat zij meerdere behandelaren kunnen inzetten die de minderjarigen en de moeder kunnen bieden wat zij nodig hebben.
3.4.
Op dit moment is er geen sprake van contact tussen de vader en de minderjarigen. [minderjarige 2] heeft in oktober 2024 aangegeven dat hij niet meer naar zijn vader toe wil gaan. Afgesproken is dat [minderjarige 2] niet meer naar zijn vader hoeft te gaan, maar dat de deur van de vader altijd openstaat voor hem. [minderjarige 1] is vervolgens enige tijd alleen naar zijn vader gegaan. Op een gegeven moment zou [minderjarige 1] de partner van de vader hebben uitgescholden, waarna de vader heeft aangegeven dat [minderjarige 1] niet meer welkom is totdat hij zijn excuses aanbiedt. De moeder was echter van mening dat [minderjarige 1] geen sorry hoeft te zeggen voor iets dat weken geleden is gebeurd. De vader heeft daarop de contacten stopgezet en aangegeven dat het voor hem op deze manier niet meer hoeft. [minderjarige 1] heeft dit ervaren als een forse afwijzing. De vader wil ook niet meer betrokken zijn bij (de gesprekken over) de behandeling van de minderjarigen. Er bestaat dan ook onduidelijkheid over de verdere invulling van de rol van de vader in het leven van de minderjarigen.
3.5.
Aangezien de nog in te zetten behandelingen, en met name de EMDR- en traumatherapie voor de moeder, veel van de moeder en de minderjarigen zullen vragen, vindt de GI het van belang om het verloop en de resultaten van de hulpverlening in de komende periode te monitoren, indien nodig aanvullende hulpverlening in te zetten en een borgingsplan op te stellen. Daarnaast is de GI op zoek naar een weekendlogeeradres voor de minderjarigen om de moeder te ontlasten. Van belang is namelijk dat de moeder voldoende tegemoet blijft komen aan de zorg- en opvoedingsbehoeften van de minderjarigen.
3.6.
Gelet op het voorgaande stelt de GI zich primair op het standpunt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van een jaar noodzakelijk is. De GI kan subsidiair instemmen met een gedeeltelijke toewijzing van het verzoek onder aanhouding van de beslissing op het resterende deel van het verzoek, zodat er sprake zal zijn van een tussentijds toetsmoment.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen haar leven beheerst en dat de GI bepaalde zaken verdraait. De moeder vindt het ook vervelend dat voortdurend wordt benoemd dat zij laagbegaafd is. De moeder is er naar eigen zeggen klaar mee en acht zichzelf in staat om weer volledig zelfstandig voor de minderjarigen te zorgen. Daarbij komt dat er op dit moment geen perspectief meer wordt gezien voor contactherstel tussen de vader en de minderjarigen. De moeder betwijfelt dan ook of de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Voor zover hiervan al sprake is, vraagt de moeder zich bovendien af wat de doelen van de ondertoezichtstelling nog zijn. Een ondertoezichtstelling is naar de mening van de moeder ook niet bedoeld om enkel de voortgang van de hulpverlening te monitoren.
4.2.
De moeder stelt daarnaast dat zij bereid is om de noodzakelijk geachte hulpverlening op vrijwillige basis te blijven accepteren. Wel heeft zij een kritische opmerking over het voornemen van de GI om in te zetten op hulpverlening vanuit [hulpverlening] . Omdat het aanvullende onderzoek is verricht vanuit [hulpverlener 2], wil de moeder het liefste dat er vanuit [hulpverlener 2] ook (vervolg)behandeling wordt ingezet, ook al is er bij [hulpverlening] thans sprake van een korte(re) wachtlijst. [hulpverlener 2] heeft namelijk al een duidelijk behandelplan opgesteld en de moeder vreest dat na de observatieperiode bij [hulpverlening] alsnog wordt geconcludeerd dat deze hulpverlener niet alles kan bieden wat de minderjarigen nodig hebben, met als gevolg dat zij alsnog moeten worden aangemeld bij [hulpverlener 2], met alle vertraging van dien.
4.3.
Gelet op het voorgaande pleit de moeder primair tot afwijzing van het verzoek, waarbij de resterende periode van de huidige ondertoezichtstelling van de minderjarigen kan worden gebruikt om een borgingsplan op te stellen. Subsidiair verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen voor de duur van (maximaal) drie maanden en het resterende deel van het verzoek af te wijzen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat er in de aankomende periode aanvullende hulpverlening en behandeling zal worden ingezet voor de minderjarigen en de moeder vanuit [hulpverlening] dan wel [hulpverlener 2], waaronder EMDR- en traumatherapie. De kinderrechter is van oordeel dat de betrokkenheid van de GI nodig is om ervoor te zorgen dat deze hulpverlening en behandeling daadwerkelijk van start zal gaan en dit op een goede manier neer te zetten. De GI is daarnaast voornemens om een logeeradres te regelen waar de minderjarigen in de weekenden kunnen verblijven. Dit om de moeder te ontlasten en ervoor te zorgen dat zij de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen kan blijven dragen en dat zij voldoende tegemoet kan blijven komen aan wat zij nodig hebben.
5.4.
Zodra voormelde trajecten bij [hulpverlening] dan wel bij [hulpverlener 2] van start zijn gegaan, heeft de kinderrechter voldoende vertrouwen dat de moeder en de minderjarigen deze trajecten op een goede manier zullen doorlopen en afronden. Ook moet er nog een borgingsplan worden opgesteld om de noodzakelijk geachte hulpverlening op een goede manier over te dragen aan het vrijwillig kader. Met betrekking tot het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders en het bewerkstelligen van contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen lijken er, althans in de komende periode, echter geen mogelijkheden meer te zijn. Dit met het oog op de afwijzende houding van de vader en het feit dat de minderjarigen geen contact meer met hem willen hebben. De kinderrechter kan zich dan ook voorstellen dat de GI daar in de komende periode niet meer op zal inzetten.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen nog niet volledig is weggenomen en dat het op dit moment nog te vroeg is om de hulpverlening die in dat verband noodzakelijk wordt geacht op vrijwillige basis voort te zetten. Daarmee wordt op dit moment nog steeds voldaan aan voormelde wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Gelet op wat er nog moet gebeuren en met het oog op de vakantieperiode, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengen voor de duur van zes maanden, tot 11 februari 2026. De kinderrechter acht deze periode noodzakelijk en afdoende om de hulpverlening op een goede manier neer te zetten en vervolgens over te dragen aan het vrijwillig kader. Het resterende deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.
5.6.
De kinderrechter benadrukt hierbij dat de GI, als zij te zijner tijd van mening is dat er (om welke reden dan ook) toch meer tijd nodig is om de hulpverlening op een goede manier over te dragen aan het vrijwillig kader, een verzoek kan indienen bij de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Het is dan ook van belang dat de moeder zal blijven meewerken met de GI en de betrokken hulpverlening.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 11 augustus 2025 tot 11 februari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.