In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 juli 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van zes maanden, tot 11 februari 2026, en het resterende deel van het verzoek afgewezen. De kinderrechter oordeelde dat er nog steeds een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen aanwezig is, waardoor de hulpverlening noodzakelijk blijft. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar er is momenteel geen contact tussen de vader en de minderjarigen. De moeder heeft aangegeven dat zij in staat is om zelfstandig voor de kinderen te zorgen, maar de kinderrechter achtte het nog te vroeg om de hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. De kinderrechter heeft benadrukt dat de GI (gecertificeerde instelling) betrokken blijft bij de hulpverlening en dat er een borgingsplan moet worden opgesteld. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze per direct van kracht is. De uitspraak is openbaar gedaan en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.