Uitspraak
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een winkelpand gelegen in [plaats 2], die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €1.479.000 per 1 januari 2023. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) gebruiker 2024. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de ingebrachte stukken en de zitting van 25 juni 2025.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer vanwege de impact van de coronapandemie, de aard van het pand als meubelmarkt met een lagere huurwaarde (€49 per m2), en een te hoge kapitalisatiefactor. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin referentieobjecten en een kapitalisatiefactor van 9,7 werden gehanteerd.
De rechtbank oordeelde dat de coronapandemie reeds in de huurprijzen van de referentieobjecten was verwerkt en dat de WOZ-waarde de economische waarde van het pand betreft, waarbij gebruikswijze van de onderneming niet doorslaggevend is. Het beroep faalde ook omdat belanghebbende onvoldoende concrete onderbouwing gaf voor de lagere huurwaarde en kapitalisatiefactor. Daarnaast werd het verzoek om aanvullende stukken ter zitting en na afloop niet toegelaten. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan en de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Ten slotte werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn van circa veertien maanden tussen bezwaar en uitspraak niet was overschreden. De WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.