Uitspraak
REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 4 augustus 2025 tijdens een mondelinge behandeling een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS) voor een minderjarige geboren in 2020, vanwege signalen van seksueel misbruik door de vader. De moeder had de zorgregeling begin juli stopgezet na zorgelijke signalen van de minderjarige, waaronder pijnklachten. De vader ontkende de beschuldigingen en wilde de zorgregeling direct hervatten.
De kinderrechter overwoog dat op grond van artikel 1:257 BW Pro een voorlopige OTS kan worden uitgesproken indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de voorwaarden voor een OTS zijn vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging weg te nemen. De Raad stelde dat gezien het verleden en de huidige signalen snel duidelijkheid nodig is en dat de ouders niet zelfstandig tot een oplossing kunnen komen.
Beide ouders stemden in met het verzoek, waarbij zij aangaven dat de gecertificeerde instelling nodig is om de regie te voeren over de zorgregeling en oudercommunicatie. De kinderrechter oordeelde dat de grond voor een voorlopige OTS vervuld is en dat deze noodzakelijk is om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen. De minderjarige wordt daarom voor drie maanden onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Brabant, met onmiddellijke inzet van een jeugdbeschermer.
De beschikking is op 4 augustus 2025 mondeling gegeven en op 7 augustus schriftelijk vastgelegd. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld door belanghebbenden via het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Brabant voor drie maanden wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.