ECLI:NL:RBZWB:2025:5302
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen afstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ongewenstverklaring afgewezen
De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 14 oktober 2024 veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Hij kwam in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) per 29 maart 2025 met een proeftijd van 365 dagen en een strafrestant van 237 dagen.
Het Openbaar Ministerie stelde de VI af omdat de veroordeelde per 19 mei 2025 ongewenst is verklaard en geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat de ongewenstverklaring de VI niet hoeft te verhinderen, mede omdat er beroep tegen die verklaring is ingesteld en hij beschikte over geschikte woonruimte en werk.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 6:2:10 lid 2 onder Pro c Sv VI uitgesloten is voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en bevestigt het afstel van de VI. De beslissing is op 20 juni 2025 in het openbaar uitgesproken door rechter Los.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard vanwege de ongewenstverklaring en het ontbreken van rechtmatig verblijf.