ECLI:NL:RBZWB:2025:5320
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met mishandeling
In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 juli 2025 uitspraak gedaan over een bezwaarschrift dat was ingediend door een veroordeelde tegen de afname en verwerking van haar DNA-profiel. De veroordeelde, geboren in 1971, had eerder een veroordeling voor mishandeling op 13 oktober 2023. Het bezwaarschrift werd op 25 februari 2025 ingediend en op 17 juni 2025 behandeld in een besloten raadkamer. De veroordeelde was niet verschenen, maar haar advocaat, mr. B.J.P. van Gils, was wel aanwezig. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat het DNA-onderzoek noodzakelijk werd geacht voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het DNA-onderzoek zouden rechtvaardigen. De officier van justitie had gesteld dat er geen uitzonderingen van toepassing waren volgens de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De rechtbank concludeerde dat het recidivegevaar niet zodanig gering was dat het onderzoek niet kon plaatsvinden. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.