Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in de gemeente Drimmelen, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €491.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 behandeld.
De woning betreft een vrijstaande woning uit 1964 met diverse bijgebouwen en een perceel van 1300 m². De heffingsambtenaar baseerde de waarde op een taxatierapport waarin vergelijkingsmethodiek met drie referentiewoningen werd toegepast. Belanghebbende betwistte de vergelijkbaarheid, met name vanwege het grote perceeloppervlak en de ligging van de woning.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De onderbouwing van de ligging en voorzieningen was onvoldoende gemotiveerd en correcties waren niet adequaat doorgevoerd. Belanghebbende kon zijn lagere waarde van €432.000 niet aannemelijk maken.
De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde in goede justitie vast op €450.000. De aanslag onroerendezaakbelasting werd dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.