Betrokkene is door de meervoudige strafkamer veroordeeld voor drugshandel en handel in strijd met artikel 420ter Sr en de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op chatgesprekken tussen betrokkene en zijn broer waaruit een gezamenlijke pot van 3.395.400 euro bleek.
De verdediging voerde aan dat het voordeel niet vaststaat en dat het deels legaal geld zou betreffen, wat de rechtbank niet aannemelijk achtte. De rechtbank stelde vast dat betrokkene en zijn broer samen over het bedrag konden beschikken en dat dit bedrag zorgvuldig was vastgesteld zonder dubbeltellingen.
De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs verdeeld moet worden, waardoor het bedrag voor betrokkene op 1.697.700 euro wordt vastgesteld. Er werd geen draagkrachtverweer gevoerd en geen matigingsgrond gevonden. De rechtbank legde de betalingsverplichting op en stelde de duur van de gijzeling bij niet-betaling vast op 1080 dagen.