Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering van 3 juni 2024. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is vanwege overschrijding van de beslistermijn, nadat eiser het UWV op 22 april 2025 in gebreke heeft gesteld en de wettelijke termijn van twee weken is verstreken.
Het UWV gaf aan dat de vertraging is veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen en daardoor achterstanden bij het inplannen van spreekuren. De rechtbank vindt dat het belang van een zorgvuldige heroverweging een langere termijn dan twee weken rechtvaardigt en legt een termijn van vier maanden op waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen.
Daarnaast wordt het UWV een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij verdere overschrijding, met een maximum van €15.000. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €453,50 aan eiser betalen. De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt op 14 augustus 2025.