ECLI:NL:RBZWB:2025:5491

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
15 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/433631 / JE RK 25-586
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 5 juni 2025 het verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De minderjarige verblijft sinds de geboorte in een pleeggezin vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

De moeder heeft een problematische situatie met drugsgebruik en onvoldoende aansluiting bij de behoeften van het kind. Ondanks hulpverlening en toezeggingen is er onvoldoende verbetering, en de moeder verscheen vaak onder invloed bij bezoekmomenten. De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek tot verlenging voor een jaar, terwijl de moeder pleit voor een beperking van de uithuisplaatsing tot zes maanden vanwege positieve ontwikkelingen.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet weggenomen kan worden zonder ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar, de uithuisplaatsing voor zes maanden, met het oog op het belang van het kind en de kansen voor de moeder om zich te herstellen en het contact te verbeteren. De beschikking is direct uitvoerbaar en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/433631 / JE RK 25-586
Datum uitspraak: 5 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2025;
  • een hulpverleningsplan van mr. Kouijzer van 26 mei 2025;
  • de brief van de moeder aan de kinderrechter van 2 juni 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 9 april 2024 is het destijds nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 9 april 2024 en tot 23 april 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.2.
Bij beschikking van 18 april 2024 is de voorlopige ondertoezichtstelling van het destijds nog ongeboren kind verlengd tot 9 juli 2024.
2.3.
Bij beschikking van 13 juni 2024 is het destijds nog ongeboren kind onder toezicht gesteld met ingang van 13 juni 2024 en tot 13 juni 2025. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van het destijds nog ongeboren kind verleend, ingaande vanaf het moment dat het geboren kind uit het ziekenhuis wordt ontslagen, in een pleeggezin voor de duur van vier maanden, te weten met ingang van 13 juni 2024 en tot 13 oktober 2024 en onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.4.
De moeder is op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] bevallen van [minderjarige] .
2.5.
De vader heeft [minderjarige] op 20 juni 2024 erkend. Beide ouders zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
2.6.
Bij beschikking van 1 oktober 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd met ingang van 13 oktober 2024 en tot 13 juni 2025.
2.7.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Er is reeds een perspectiefbesluit genomen voor [minderjarige] , inhoudende dat hij nu in een perspectief biedend pleeggezin verblijft. Het lukt de moeder onvoldoende om aan zichzelf te werken, terwijl ze hier best een periode de kans voor heeft gehad. Hoewel zij aangeeft te zijn gestopt met het gebruiken van drugs, denkt de GI dat zij nog altijd gebruikt. Ook de laatste twee bezoeken leek de moeder onder invloed, zo heeft de GI teruggekoppeld gekregen van de IPT-er. Het is lastig voor de moeder om voldoende aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . Op dit moment ziet de GI geen positieve verandering in het contact met [minderjarige] . Het genomen perspectiefbesluit kan in principe niet meer wijzigen. [minderjarige] gedijd goed binnen het pleeggezin. Gezien de grillige ontwikkeling van de ouders is niet de verwachting dat de situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen. De moeder heeft hulpverlening in de vorm van IPT, maar zij zegt dit vaak af. In reactie op het namens de moeder naar voren gebrachte standpunt om de uithuisplaatsing in duur te beperken, geeft de GI aan dat de moeder al lange tijd de kans heeft gehad om te laten zien dat zij kan veranderen. Waar de moeder eerst drie keer in de week bezoekmomenten met [minderjarige] had, is dit nu nog maar één keer per week, omdat veel momenten door haar werden afgezegd. De adviezen over hoe zij beter aan kan sluiten de behoeften van [minderjarige] pakt de moeder niet op. Wanneer de moeder aan zichzelf gaat werken en het zichtbaar beter gaat zal de GI gaan kijken naar hoe de bezoeken te intensiveren zijn. Ook in dat geval denkt de GI dat terugwerken naar thuisplaatsing van [minderjarige] een te grote stap is. Een uithuisplaatsing voor de duur van een half jaar zal enkel verwarring scheppen voor de moeder.
4.2.
In haar brief en tijdens de mondelinge behandeling brengt de moeder het volgende naar voren. De moeder heeft de afgelopen periode veel meegemaakt. Hierdoor werd zij depressief en is zij drugs gaan gebruiken. Op dit moment ziet de moeder [minderjarige] een keer per week bij het kantoor van de GI. De moeder geeft aan in een kantoorruimte niet te kunnen laten zien dat ze een goede moeder is. Inmiddels is de moeder gestopt met het gebruiken van drugs, is zij verhuisd naar haar eigen woning en gaat het beter met haar. De moeder is bezig [hulpverlening 1] in te zetten om te werken aan haar problematiek. Graag wil ze de kans krijgen om te laten zien dat ze een goede moeder kan zijn en om [minderjarige] thuis op te mogen voeden.
4.3.
Namens de moeder brengt de advocaat tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat de moeder op grond van de vorige beschikking van deze rechtbank aan allerlei punten moest werken. Dit kost tijd, reden waarom het verzoek is toegewezen tot juni, terwijl dit ook voor een kortere termijn had gekund. Hoewel de maatregelen aldus tot juni gelden, is reeds in maart jl. een nieuw verzoekschrift ingediend door de GI. Dit is heel erg vroeg. Ook blijkt uit de stukken dat eind februari jl. al een perspectiefbesluit is genomen, maar dat is niet gedeeld met de ouders. De moeder vindt dit ook te vroeg. De laatste maanden is er op een aantal punten sprake van verbetering in de situatie van de moeder, zo heeft zij een eigen woning in [woonplaats] en verschijnt zij op afspraken. Volgens het meest recente en door de advocaat overgelegde hulpverleningsplan staat ook dat de moeder naar afspraken komt, in behandeling bij [hulpverlening 1] gaat, geen drugs meer gebruikt en beter kan aansluiten bij [minderjarige] . De bezoekmomenten zijn de afgelopen periode in frequentie beperkt. Dit is moeilijk voor de moeder. Ook is het moeilijk in een dusdanig korte duur in een kantoorruimte van de GI te laten zien wat haar capaciteiten zijn. De moeder moet eerst kunnen werken aan zichzelf, zodat ze kan uitstralen dat het beter gaat, hetgeen het contact ten goede komt. De moeder wil een laatste kans. Het gaat beter met haar. De aanvaardbare termijn is nog niet verstreken. De ondertoezichtstelling kan wat betreft de moeder worden verlengd voor de duur van een jaar, maar de uithuisplaatsing dient te worden beperkt in duur en wel tot een periode van zes maanden, met de overweging dat dan het perspectief definitief bepaald zal worden. Er moet nog een keer goed gekeken worden naar de positieve ontwikkelingen die de moeder heeft doorgemaakt sinds maart jl. en of deze zich doorzetten. De moeder gaat nu weer achter haar aanmelding bij [hulpverlening 1] aan. Het is nu te snel om al definitief een perspectiefbesluit te hebben genomen, dit moet kunnen worden heroverwogen als de positieve ontwikkelingen zich voortzetten.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Uit de observaties van de bezoekmomenten van de moeder komt naar voren dat [minderjarige] tijdens en na afloop van een bezoek veel stresssignalen laat zien; er is dan sprake van veel angstig gedrag, zoals het wegdraaien van moeder en vormen van dissociatie. Er worden bij [minderjarige] geen signalen van veilig gehecht kind gedrag gezien; er is geen ontspanning, geen lach, geen oogcontact dan wel pogingen om te reageren op contact. De moeder lijkt voornoemde signalen niet of onvoldoende te herkennen. Hierdoor kan zij zich hier niet op aanpassen, en de moeder lijkt tegelijkertijd niet in staat de adviezen van de hulpverlening op te pakken. De afgelopen periode is de moeder regelmatig niet naar bezoekmomenten gekomen. Ook heeft de moeder op 20 van de 23 afgenomen drugstesten positief getest. Dit betekent dat zij onder invloed naar bezoekmomenten met [minderjarige] komt. Dit alles tezamen heeft de GI doen besluiten de frequentie van de bezoekmomenten terug te schroeven van drie, naar één keer per week. De GI heeft in februari jl. een opvoedbesluit genomen over [minderjarige] , inhoudende dat [minderjarige] niet terug thuis geplaatst kan worden en bij de pleegouders dient te blijven. Zij bieden [minderjarige] de geborgenheid en nabijheid die hij nodig heeft en zijn in staat om voldoen de aan te sluiten bij de ontwikkelbehoeften van [minderjarige] zodat hij zich veilig voelt.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder de afspraken met de hulpverlening niet tot onvoldoende nakomt. Zij is niet in staat zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Wel heeft zij toegezegd in behandeling te gaan bij [hulpverlening 1] voor haar (drugs)problematiek, maar tot op heden is dat nog niet gebeurd, terwijl moeder sinds de start van de ondertoezichtstelling daartoe wel beloftes heeft gedaan.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter volgt het standpunt van de moeder en zal de machtiging tot uithuisplaatsing beperken in duur en derhalve toewijzen voor de periode van zes maanden, onder aanhouding van het restant. De moeder geeft aan de afgelopen periode positieve stappen te hebben gezet. De kinderechter gunt het [minderjarige] dat hij een moeder heeft die zich goed voelt en wil de moeder een kans geven de positieve ontwikkelingen door te zetten. Het is hiertoe van groot belang dat de moeder in behandeling gaat bij [hulpverlening 1] of [hulpverlening 2], zodat zij hulp krijgt bij haar (drugs)problematiek. De kinderrechter gaat ervan uit dat de moeder positieve stappen blijft zetten, zodat dit de GI aanleiding kan geven om de zorgregeling uit te breiden in duur dan wel plaats. Het is voor de GI voorts belangrijk oog te blijven houden voor het feit dat het in het belang van [minderjarige] is dat de bezoekmomenten plaatsvinden op een plek waar de moeder zich kan ontspannen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 juni 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 december 2025;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 13 december 2025, tegen welke zitting de GI, de vader en de moeder dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.