Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de dochter van cliënt;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 juli 2025 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een rechterlijke machtiging te verlenen voor opname en verblijf van cliënt, geboren in 1940, in een woonzorgcomplex.
Cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, namelijk dementie, met geheugen- en inprentingsstoornissen, desoriëntatie en oordeelsstoornissen. Dit leidt tot ernstig nadeel zoals lichamelijk letsel, psychische schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De thuissituatie was onhoudbaar door de onrust van cliënt, waardoor haar echtgenoot overbelast raakte.
Cliënt verzet zich verbaal tegen opname en verblijf en wenst terug naar huis, maar heeft geen ziektebesef. De arts en dochter bevestigen de noodzaak van opname en het ontbreken van minder bezwarende alternatieven. De rechtbank concludeert dat opname noodzakelijk en geschikt is om ernstig nadeel te voorkomen en verleent de machtiging voor zes maanden, tot 3 januari 2026.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door rechter De Beer, met griffier Oude Weernink aanwezig. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden verleend wegens dementie en ernstig nadeel.