ECLI:NL:RBZWB:2025:5515

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
18 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/425058 / HA ZA 24-415
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan tussentijds hoger beroep tegen tussenvonnis over bodemverontreiniging en deskundigenonderzoek

In deze civiele bodemzaak tussen eiser en gedaagde heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 14 mei 2025 geoordeeld dat gedaagde een perceel grond heeft geleverd dat niet aan de gemaakte afspraken voldeed, met een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tot gevolg. De rechtbank overwoog een deskundige te benoemen om de omvang van de tekortkoming en de schade vast te stellen.

Gedaagde verzocht vervolgens om af te wijken van artikel 337 Rv Pro en tussentijds hoger beroep toe te staan tegen het tussenvonnis, gezien de verregaande beslissingen die het vervolg van de procedure sterk beïnvloeden. Eiser maakte bezwaar tegen de omvang en inhoud van het verzoek, dat volgens hem een verkapt hoger beroep betrof.

De rechtbank oordeelde echter dat het verzoek niet geweigerd hoeft te worden en dat het belang van proceseconomie zwaarder weegt. Het tussenvonnis bevat immers beslissingen die kunnen leiden tot kostbaar en omvangrijk deskundigenonderzoek, terwijl het gerechtshof mogelijk anders kan oordelen. Om onnodige kosten en vertraging te voorkomen, wordt het tussentijds hoger beroep toegestaan.

Indien gedaagde hiervan gebruikmaakt, wordt de zaak geschorst totdat het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. De rechtbank verwees de zaak naar de rol voor een tussenvonnis op 29 oktober 2025.

Uitkomst: De rechtbank staat tussentijds hoger beroep toe tegen het tussenvonnis en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/425058 / HA ZA 24-415
Vonnis van 23 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat mr. E. van der Kolk,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat mr. N.A.J. van Heel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 14 mei 2025 met de daarin genoemde processtukken;
  • het bericht van [eiser] van 5 juni 2025, waarin hij bezwaar maakt tegen de omvang en de inhoud van de conceptakte van [gedaagde];
  • het bericht van [gedaagde] van 6 juni 2025, waarin zij hierop reageert;
  • het bericht van [eiser] van 6 juni 2025, waarin hij zijn bezwaar handhaaft;
  • de akte na tussenvonnis van [eiser];
  • de akte uitlaten tevens verzoek tot het instellen van tussentijds appèl van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In haar tussenvonnis van 14 mei heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat [gedaagde] [eiser] een perceel grond heeft geleverd dat niet aan de gemaakte afspraken voldeed. Er is daarom sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Omdat het de rechtbank nog niet helder is hoe ver de tekortkoming reikt en wat de omvang van de schade is, is overwogen dat de rechtbank voornemens is een deskundige te benoemen. De zaak is naar de rol verwezen, zodat partijen zich bij akte konden uitlaten over de te stellen vragen en de te benoemen deskundige.
2.2.
[gedaagde] heeft zich in haar akte niet alleen hierover uitgelaten, maar de rechtbank tevens verzocht af te wijken van het bepaalde in artikel 337 Rv Pro en toe te staan dat zij tussentijds hoger beroep in mag stellen tegen het tussenvonnis. De eerste vier pagina’s van haar akte zien op dit verzoek.
2.3.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud en omvang van de akte, die volgens hem te lang is geworden en naar de inhoud een verkapt appèl lijkt te betreffen.
Hoewel [eiser] gelijk heeft dat de akte hierdoor een grotere omvang heeft gekregen, acht de rechtbank het niet zinvol de akte (of een deel hiervan) om deze reden te weigeren. [gedaagde] kan (en zal naar verwachting) dan immers de pagina’s die zien op dit verzoek bij aparte akte indienen. Een verzoek tot het openstellen van hoger beroep kan immers nog steeds worden gedaan en behoeft een nadere toelichting. Nu [eiser] heeft kunnen reageren op het verzoek en dit ook heeft gedaan, zal de rechtbank hierop beslissen.
2.4.
Voorop wordt gesteld dat de rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist. Niet wordt ingezien dat sprake is van een feitelijke of juridische misslag. Hierbij wordt ter volledigheid nog opgemerkt dat de rechtbank, anders dan [gedaagde] schrijft onder de punten 1 en 2 van haar akte, wel heeft aangenomen dat sprake is van een ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van in ieder geval één boorpunt (boring 201).
2.5.
Om proceseconomische redenen wordt aanleiding gezien tot het openstellen van tussentijds hoger beroep zoals door [gedaagde] verzocht. Hoewel dit zal leiden tot een vertraging van de procedure, weegt in dit geval zwaarder dat in het tussenvonnis verregaande beslissingen zijn genomen die zijn weerslag hebben op het vervolg van de procedure. De rechtbank is immers voornemens een naar verwachting omvangrijk, tijdrovend en kostbaar deskundigenonderzoek te gelasten, terwijl het mogelijk is dat door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch later zal worden geoordeeld dat dit onderzoek niet doelmatig was of dat de door de rechtbank gekozen uitgangspunten niet (helemaal) juist zijn. Hierdoor bestaat het risico op onnodige kosten voor één van beide partijen.
Gelet hierop heeft het om redenen van proceseconomische aard de voorkeur om eerst [gedaagde] in de gelegenheid te stellen het oordeel van de rechtbank in hoger beroep aan het gerechtshof voor te leggen.
2.6.
Indien en zodra [gedaagde] gebruik maakt van de bevoegdheid tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 14 maart 2025 in te stellen, zal de zaak worden geschorst en naar de parkeerrol wordt verwezen totdat de uitspraak van het gerechtshof onherroepelijk is geworden. In afwachting hiervan zal iedere beslissing worden aangehouden tot het eindigen van de termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld (drie maanden na dit vonnis), om te voorkomen dat nodeloos een deskundige wordt aangezocht.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat tegen het tussenvonnis van 14 mei 2025 hoger beroep kan worden ingesteld,
3.2.
verwijst de zaak naar de rol van
29 oktober 2025voor tussenvonnis,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025.