De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2010, die sinds april 2024 verblijven bij hun grootouders moederszijde als netwerkpleeggezin. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de moeder is uit contact met de GI en niet in staat om voor de kinderen te zorgen. Tijdens de zitting, gehouden op 10 januari 2025, waren de vader, pleegouders en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig; de moeder verscheen niet.
De minderjarigen hebben via e-mail aangegeven graag bij de pleegouders te willen blijven wonen omdat zij zich daar veilig en prettig voelen. De GI benadrukt dat de situatie bij de moeder niet is verbeterd en dat een terugplaatsing naar haar of de vader op dit moment niet mogelijk is vanwege financiële, persoonlijke en juridische problemen. De vader ondersteunt het verzoek en benadrukt het belang van rust voor de kinderen. De pleegouders bevestigen dat het goed gaat met de kinderen en dat zij bang zijn terug te moeten naar de moeder, wat voor veel spanning zorgt.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, die een belast verleden hebben met huiselijk geweld en onzekerheid. De verblijfplaats bij de pleegouders biedt de benodigde veiligheid en stabiliteit. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg te waarborgen, ook bij eventueel hoger beroep.