ECLI:NL:RBZWB:2025:5610

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/435276 KG ZA 25-219
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding kort geding en gelasten raadsonderzoek in gezags- en zorgregeling minderjarigen

Partijen, de man en de vrouw, hebben een affectieve relatie gehad waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. De man heeft beide kinderen erkend en zij oefenen gezamenlijk ouderlijk gezag uit over de oudste, terwijl de vrouw het eenhoofdig gezag heeft over de jongste. De man vordert in kort geding een voorlopige zorgregeling voor de kinderen totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist.

Tijdens de mondelinge behandeling is besloten de zaak voor twee maanden aan te houden zodat partijen in een minnelijk traject met behulp van een gezinsadvocaat kunnen zoeken naar een passende oplossing. Tevens is een begeleid contact tussen de man en de kinderen afgesproken. De voorzieningenrechter acht een aanhouding in het belang van de minderjarigen.

Voorts wordt de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten naar het gezag, hoofdverblijf, zorg- en omgangsregeling en hierover advies uit te brengen. Dit onderzoek zal worden betrokken in de bodemprocedure die reeds loopt. De volgende mondelinge behandeling is gepland op 25 augustus 2025, tenzij partijen eerder overeenstemming bereiken.

De voorzieningenrechter behoudt zich verdere beslissingen voor en verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De behandeling van het kort geding wordt aangehouden voor twee maanden en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gelast.

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/435276 / KG ZA 25-219
18 juni 2025
tussenvonnis in kort geding
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. B. Krijnen te Waalwijk,
over de minderjarige kinderen van partijen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018,
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de op 16 juni 2025 ontvangen brief van mr. Nederlof.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 18 juni 2025 tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de voormelde minderjarige kinderen zijn geboren.
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
Op 25 april 2025 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/434819 / FA RK 25-2193) strekkende tot wijziging van het gezag ten aanzien van [minderjarige 1] , vaststelling van het hoofdverblijf, vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en vaststelling bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
2.4.
De minderjarigen wonen bij de vrouw.

3.De vordering

3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de navolgende voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen, totdat er in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist:
1. Elke woensdagmiddag na school tot woensdagavond na het avondeten waarbij de man aanwezig zal zijn en de minderjarigen door de ouders van de man van school zullen worden
opgehaald en de vrouw de minderjarigen 's avonds ophaalt bij de ouders van de man en op de woensdagen dat de minderjarigen vrij zijn van school van woensdagmiddag 12:00 uur tot na het avondeten waarbij de ouders van de man de minderjarigen ophalen bij de opvang en dat de vrouw de minderjarigen ophaalt bij de ouders van de man;
2. Gedurende een dag in elk weekend met dien verstande dat de minderjarigen het ene weekend op zaterdag en het andere weekend op zondag van 's morgens 9.30 uur tot ’s avonds 18:00 uur bij de ouders van de man zullen zijn, waarbij de man aanwezig zal zijn en waarbij de vrouw de minderjarigen 's morgens brengt en de ouders van de man 's avonds de minderjarigen terugbrengen.
3.2.
In haar conclusie van antwoord heeft de vrouw gevraagd om de vorderingen van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
3.3.
Partijen hebben ieder hun standpunten bij de mondelinge behandeling nader toegelicht en de vertegenwoordigster van de Raad heeft een advies uitgebracht. Vervolgens is de behandeling voor enige tijd onderbroken om partijen en de vertegenwoordigster van de Raad in de gelegenheid te stellen overleg te voeren en een minnelijke regeling te treffen.
3.4.1
Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat zij met elkaar het volgende zijn overeengekomen.
Begeleid contact en belcontact
3.4.2.
Partijen spreken met elkaar af dat mevrouw [naam] zal worden gevraagd om vier contacten tussen de man en de minderjarigen te begeleiden. Deze contacten zullen plaatsvinden op donderdagmiddag of op vrijdagmiddag in de even weken. De vrouw brengt daarbij de minderjarigen naar mevrouw [naam] . De man zorgt dat hij op tijd bij mevrouw [naam] is. De vrouw neemt de minderjarigen na het contact weer mee naar huis. Partijen delen de kosten van de begeleiding door mevrouw [naam] . De concrete tijden zullen in overleg met mevrouw [naam] worden vastgesteld. De man belt voorts iedere maandag om 18.30 uur naar de vrouw voor een telefonisch contact met de minderjarigen. Het vervolg van de invulling van de zorgregeling na de vier voormelde contacten zal afhangen van het verloop van deze omgang. De zorgregeling geldt voor het fysieke contact niet voor de periode van 5 juli tot 15 juli 2025, zijnde de periode dat de vrouw met de minderjarigen vanwege de vakantie elders verblijft.
Gezinsadvocaat
3.4.3.
Partijen vragen de voorzieningenrechter om een aanhouding van een beslissing voor de duur van twee maanden. Zij willen in de komende weken op zoek gaan naar een passende oplossing voor de onderwerpen die hen verdeeld houdt. Zij hebben daarbij de intentie om gebruik te gaan maken van het traject van de gezinsadvocaat. Partijen hebben hierover tijdens de onderbreking met elkaar afspraken gemaakt. In dat kader is door de man ingestemd dat ook de vrouw vanuit het RIBW zal worden geïnformeerd over hoe het met de behandeling van de man gaat. Vervolgens zullen partijen bezien of er een basis is om te kunnen werken naar een structurele omgang tussen de man en de minderjarigen.
Raadsonderzoek
3.5.
Partijen vragen voorts om, vooruitlopend op de behandeling van de bodemprocedure, een onderzoek door de Raad te gelasten, dat zich richt op het gezag, het hoofdverblijf en de invulling van de zorgregeling.
Vervolgzitting
3.6.
Voor het geval partijen niet tot volledige overeenstemming komen, willen zij over een periode van ongeveer twee maanden een nadere mondelinge behandeling. Als zij tijdig wel tot, volledige, overeenstemming komen over de afdoening van het kort geding, willen zij de voorzieningenrechter daarvan schriftelijk op de hoogte stellen, waarna de procedure schriftelijk kan worden afgerond.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering voldoende vast.
4.2.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In navolging van het verzoek van partijen, zal de behandeling van het onderhavige kort geding voor een periode van twee maanden worden aangehouden. De voorzieningenrechter beseft dat een aanhouding voor zo’n periode in zijn algemeenheid niet verenigbaar is met de aard van een kortgedingprocedure, maar ziet in dit geval aanleiding om het door partijen gezamenlijk gedane verzoek toch in te willigen. Zij hebben immers de intentie getoond om in een minnelijk traject tot een voor de minderjarigen aanvaardbare oplossing te komen. Een aanhouding van de afdoening wordt dan ook geacht in het belang van de minderjarigen te zijn. Het vervolg van de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 25 augustus 2025 om 14.00, tenzij uit de schriftelijke informatie van partijen voor deze dag aan de voorzieningenrechter over de stand van zaken blijkt dat de zaak verder op de stukken kan worden afgedaan.
4.3.
De voorzieningenrechter ziet, met partijen en de Raad, dat het belang van de minderjarigen gediend is met een onderzoek door de Raad, waarvan de resultaten in de bodemprocedure kunnen worden betrokken. De voorzieningenrechter zal, gelet hierop, alvast een raadsonderzoek gelasten, zodat de Raad nu al kan gaan starten met het doen van het onderzoek. Dit levert partijen tijdwinst op. Hiervoor is het noodzakelijk dat de voorzieningenrechter het verzoek aan de Raad in dit vonnis opneemt. De vrouw heeft in de bodemprocedure ook een verzoek gedaan omtrent het gezag en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] . De advocaat van de man heeft daarnaast aangekondigd dat hij namens de man in de bodemprocedure bij wijze van zelfstandig verzoek zal verzoeken om hem ten aanzien van [minderjarige 2] samen met de vrouw met het gezag zal belasten. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vraagstelling voor het onderzoek daarop aanpassen.
4.4.
De Raad zal daarom, uitvoerbaar bij voorraad, worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Bestaat er, als partijen als ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige 2] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 2] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke hoofdverblijfplaats past het meest bij de belangen van de minderjarigen?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders/omgangsregeling past het beste bij de belangen van beide minderjarigen?
- Welke vorm van contact met de man past het beste bij de belangen van de minderjarigen?
- Hoe moet een eventuele regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn
gekomen, zijn van belang om te vermelden?
4.5.
Bij de afsluiting van de mondelinge behandeling is de voormelde nadere behandeling aan partijen, hun advocaten en de Raad aangezegd, met de mededeling dat zij vanuit de rechtbank daarvoor geen nadere oproeping zullen ontvangen.
4.6.
De voorzieningenrechter behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
4.7.
Beslist wordt dan ook als volgt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
houdt de behandeling van dit kort geding aan voor de duur van twee maanden in afwachting van het schriftelijk bericht van partijen over het verloop van de contacten bij mw. [naam] , de aanmelding bij de gezinsadvocaat en de door partijen gewenste verdere verloop van de behandeling in kort geding;
5.2.
houdt de beslissing op de vordering voor het overige aan en bepaalt dat partijen, hun advocaten en de Raad verder worden gehoord tijdens de nadere mondelinge behandeling op maandag 25 augustus 2025 om 14.00 uur bij de voorzieningenrechter mr. Toekoen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW Breda;
5.3.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaaknummer C/02/434819 / FA RK 25-2193 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven onder 4.4. vermelde vragen, welk rapport tijdig voorafgaand aan de nog te bepalen mondelinge behandeling dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
behoudt zich in het kort geding iedere verdere beslissing voor.
Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025 in tegenwoordigheid van Joosen, griffier.