De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing van één van hen in een pleeggezin. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door een gebrek aan structuur, regels en emotionele beschikbaarheid. Ondanks langdurige hulpverlening is er geen structurele verbetering.
Tijdens de zitting, waarbij de kinderen en moeder zijn gehoord, is vastgesteld dat de vrijwillige hulpverlening ontoereikend is en dat een gedwongen kader noodzakelijk is. De kinderrechter wijst het verzoek toe voor een periode van twaalf maanden, met als doel het herstellen van de opvoedingssituatie, het verbeteren van de relatie tussen moeder en kinderen, en het waarborgen van continuïteit in het onderwijs.
Voor de jongste minderjarige wordt een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing verleend zodat hij om de week van vrijdag tot dinsdag in een pleeggezin verblijft, waar hij rust en structuur ervaart. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is aangevochten via hoger beroep binnen drie maanden mogelijk.