ECLI:NL:RBZWB:2025:5656
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- Van Leuven
- Rechtspraak.nl
Verbod wijziging BRP-inschrijving minderjarige tijdens lopend hoger beroep en bodemprocedure
Partijen zijn ouders van een minderjarige en hebben na hun relatie een omgangsregeling getroffen. De moeder heeft het eenhoofdig gezag en woont met de minderjarige op een adres in Nederland. De vader heeft een bodemprocedure lopen om gezamenlijk gezag en een definitieve omgangsregeling te verkrijgen.
De vader vordert in kort geding onder meer dat de moeder wordt verboden de inschrijving van de minderjarige in de basisregistratie personen (BRP) te wijzigen, omdat hij vreest dat zij met het kind naar het buitenland vertrekt en daarmee het contact onmogelijk maakt. De moeder woont inmiddels mogelijk in het buitenland, maar staat nog ingeschreven op het Nederlandse adres.
De rechtbank oordeelt dat nakoming van de omgangsregeling momenteel niet mogelijk is omdat de begeleiders zich hebben teruggetrokken en er een hoger beroep loopt. De vordering tot nakoming wordt afgewezen. Het verbod op wijziging van de BRP-inschrijving wordt wel toegewezen met een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €5.000. De overige vorderingen worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Moeder wordt verboden de BRP-inschrijving van de minderjarige te wijzigen zolang hoger beroep en bodemprocedure lopen, met dwangsom bij overtreding.