De zaak betreft het verzoek van Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds 2021 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging in haar ontwikkeling. De minderjarige woont bij de vader, terwijl het contact met de moeder sinds februari 2025 ontbreekt. De moeder reageert moeilijk en laat op communicatie, waardoor belangrijke gezagsbeslissingen niet tijdig worden genomen.
De kinderrechter heeft op 15 augustus 2025 de zaak mondeling behandeld, waarbij de vader, zijn advocaat, de advocaat van de moeder en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De moeder was wegens werk verhinderd. De minderjarige heeft haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter.
De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar, maar de kinderrechter acht dit te lang en verlengt de maatregel voor vier maanden tot 16 december 2025. Dit om de omgangsbegeleiding via een ggz-instelling op te starten en de hulpverlening over te dragen naar het vrijwillige kader. De omgang tussen moeder en kind moet onder begeleiding worden hersteld, met als doel een onbegeleide omgangsregeling.
De kinderrechter benadrukt dat de situatie ernstig is voor de minderjarige, die last heeft van het gebrek aan contact en de moeizame communicatie tussen ouders. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geeft een duidelijk signaal aan de moeder om zelf in beweging te komen voor het belang van het kind.