De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010, die kampt met een autismespectrumstoornis (ASS) en een lage sociaal-emotionele leeftijd. De minderjarige verblijft momenteel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, waar hij eerder werd geplaatst vanwege een vermoeden van een licht verstandelijke beperking, maar uit recent IQ-onderzoek blijkt dat hij gemiddeld cognitief functioneert.
De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt de verlenging van de maatregelen voor een jaar, onderbouwd met de kwetsbaarheid van de minderjarige, zijn emotionele problemen en de spanningen tussen zijn ouders. Er wordt een perspectiefonderzoek gestart om de mogelijkheden voor terugplaatsing bij de moeder te onderzoeken. De moeder staat hier onder voorwaarden positief tegenover, de vader wil dat de minderjarige in een instelling blijft.
De kinderrechter oordeelt dat de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening niet mogelijk is. De verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom toegewezen tot 25 augustus 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige verhuist per 29 augustus 2025 naar een meer passende verblijfslocatie.