Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het vervoeren van een passagier jonger dan 12 jaar zonder kinderbeveiligingssysteem. Betrokkene stelde dat de boete niet redelijk was, onder meer omdat het kind op de achterbank zat en de afstand beperkt was.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 3 juli 2025 werd vastgesteld dat de verbalisant wel een staandehouding had verricht volgens het zaaksoverzicht, maar in correspondentie met betrokkene werd aangegeven dat dit niet was gebeurd.
De kantonrechter oordeelde dat er wel een reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden, maar dat dit ten onrechte niet was gedaan. Hierdoor was de boete onterecht aan de kentekenhouder opgelegd. De beslissing en boete werden vernietigd en het betaalde bedrag van €229 werd terugbetaald. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete vernietigd wegens het ontbreken van een juiste staandehouding.