Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vervoeren van een kind jonger dan 12 jaar en kleiner dan 1,35 meter zonder gebruik van een kinderbeveiligingssysteem op 10 november 2022. Betrokkene stelde dat de gedraging niet had plaatsgevonden en voerde aan dat er een uitzondering geldt bij incidenteel vervoer onder 50 km/u. Tevens betwistte hij de juistheid van de verklaring van de verbalisant.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter oordeelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld op basis van de verklaring van de verbalisant. De kantonrechter vond de uitzondering niet van toepassing en bevestigde dat kinderen onder 1,35 meter in een goedgekeurd kinderzitje moeten zitten.
De kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn van behandeling was overschreden met ruim zeven maanden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast was de hoorplicht geschonden omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord, wat een tweede matiging van 25% rechtvaardigde.
De boete werd daarom gematigd tot €123,75 plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag van €96,25 moest worden terugbetaald. Het beroep werd aldus gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete wordt gematigd vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.