ECLI:NL:RBZWB:2025:5684

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
22 augustus 2025
Zaaknummer
11162351 MB VERZ 24-481
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete voor ontbreken kinderbeveiligingssysteem

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vervoeren van een kind jonger dan 12 jaar en kleiner dan 1,35 meter zonder gebruik van een kinderbeveiligingssysteem op 10 november 2022. Betrokkene stelde dat de gedraging niet had plaatsgevonden en voerde aan dat er een uitzondering geldt bij incidenteel vervoer onder 50 km/u. Tevens betwistte hij de juistheid van de verklaring van de verbalisant.

De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter oordeelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld op basis van de verklaring van de verbalisant. De kantonrechter vond de uitzondering niet van toepassing en bevestigde dat kinderen onder 1,35 meter in een goedgekeurd kinderzitje moeten zitten.

De kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn van behandeling was overschreden met ruim zeven maanden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast was de hoorplicht geschonden omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord, wat een tweede matiging van 25% rechtvaardigde.

De boete werd daarom gematigd tot €123,75 plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag van €96,25 moest worden terugbetaald. Het beroep werd aldus gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete wordt gematigd vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer.: 11162351 \ MB VERZ 24-481
CJIB-nummer: 4062 5422 5372 3630
uitspraakdatum: 3 juli 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 juli 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: passagier jonger dan 12 jaar en korter dan 1.35 meter vervoeren zonder gebruik kinderbeveiligingssysteem op de Burg. Freijterslaan te Roosendaal op 10 november 2022 om 10:36 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene is zeven minuten eerder, tijdens een grote controle, beboet voor het vervoeren van zijn kleinzoon zonder gebruik van een kinderbeveiligingssyteem. Betrokkene is toen aangezegd niet door te mogen rijden in verband met de veiligheid. Betrokkene zijn vrouw is vervolgens met hun kleinkind uitgestapt en te voet terug naar huis gelopen. Betrokkene is bekeurd voor het wederom laten instappen van zijn vrouw en kleinkind. Betrokkene stelt dat deze verklaring van verbalisant niet waar is, omdat het niet geloofwaardig is dat betrokkene op amper 25 meter afstand van de grote politie controle zijn vrouw en kleinkind weer zou laten instappen. Daarnaast heeft er ten onrechte geen staandehouding plaatsgevonden. Gezien de grote hoeveelheid agenten, auto’s en motoren die daar ter plekke aanwezig waren was het volgens betrokkene een kleine moeite geweest om dit werkelijk te controleren. Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat er een uitzondering is wanneer je incidenteel met een kind op de achterbank rijd. Er mag dan maximaal 50 kilometer gereden worden zonder kinderbeveiligingssyteem. In dit geval zou betrokkene enkel 15 kilometer zonder kinderbeveiligingssysteem rijden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan voldoende worden vastgesteld. Betrokkene had een kinderzitje moeten gebruiken. Betrokkene is bij de officier van justitie niet gewezen op het recht om gehoord te worden. Vanwege deze schending van de hoorplicht verzoekt de zittingsvertegenwoordiger de boete te matigen met 25%. Voorts is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt de boete nogmaals te matigen met 25%.

Overwegingen

InhoudelijkDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De basisregel is dat kinderen kleiner dan 1,35m in een goedgekeurd en passend kinderbeveiligingssysteem oftewel autostoeltje moeten zitten. Een uitzondering hierop is in deze zaak niet evident aan de orde.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 10 november 2022 en is de redelijke termijn dus met ruim zeven maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet verder reden de boete nogmaals te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934).

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 123,75, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 96,25, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. J.T. Jonker, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: