Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het niet voor laten gaan van een voorrangsvoertuig op 1 juli 2022 te Bergen op Zoom. Betrokkene voerde aan dat hij als beginnend bestuurder in paniek raakte door twee politiebusjes met zwaailichten, maar zonder sirene, en daardoor niet direct kon stoppen. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en dat betrokkene geen concrete feiten aanvoerde die twijfel rechtvaardigen. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting met ruim 11 maanden was overschreden, wat leidt tot matiging van de boete met 25%. Daarnaast was de hoorplicht door de officier van justitie geschonden, omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld gehoord te worden, wat eveneens een matiging van 25% rechtvaardigt.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, matigde de boete tot €140,62 plus administratiekosten en beval terugbetaling van het te veel betaalde bedrag. De uitspraak werd gedaan op 3 juli 2025 door kantonrechter W.H.C. van Eck.
Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €140,62 vanwege overschrijding redelijke termijn en schending hoorplicht.