ECLI:NL:RBZWB:2025:5691

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
22 augustus 2025
Zaaknummer
11251283 MB VERZ 24-619
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens snelheidsovertreding binnen bebouwde kom

Betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd voor het rijden met 22 km per uur te hard binnen de bebouwde kom op de Nijverheidsweg te Etten-Leur op 16 april 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant. Betrokkene voerde aan dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden en dat de beslistermijn was verstreken. De rechter stelde vast dat de hoorplicht niet is geschonden omdat betrokkene via zijn gemachtigde schriftelijk gelegenheid had gekregen om het beroep aan te vullen.

Wel was de redelijke termijn van behandeling van de zaak met ruim twee maanden overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast werd betrokkene het teveel betaalde bedrag terugbetaald en werd de officier van justitie veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €226,75. De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn en betrokkene krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer.: 11251283 \ MB VERZ 24-619
CJIB-nummer: 5062 5422 5714 6708
uitspraakdatum: 3 juli 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 juli 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 22 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Nijverheidsweg te Etten-Leur op 16 april 2023 om 14:46 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat betrokkene zicht niet kan vinden in de wijze waarop de officier van justitie deze zaak heeft afgedaan. Betrokkene merkte op dat de beslistermijn verstreken was. De officier geeft aan dat de ingebrekestelling is ontvangen voordat de hoorzitting zou plaatsvinden, om die reden heeft de officier beslist zonder eiser eerst te horen. Betrokkene meent dat de officier van justitie de hoorplicht geschonden heeft en de beslissing in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het is aan de officier van justitie zelf te wijten dat er pas een hoorzitting wordt georganiseerd na het aflopen van de beslistermijn terwijl de officier van justitie 6 maanden de tijd heeft om een beslissing te nemen. Dit staat schril in contrast met burgers die zelf administratief beroep instellen en vaak binnen een week al een beslissing terug kunnen verwachten. Daarnaast heeft betrokkene geen eerdere stukken van de officier ontvangen, nadat betrokkene in de ingebrekestelling voor de tweede keer om het dossier heeft gevraagd. Tot slot verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gemachtigde heeft aangevoerd dat er sprake is van schending van de hoorplicht. Per 1 augustus 2022 is besloten om in zaken waarin de burger wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde de procedure tijdelijk schriftelijk te laten plaatsvinden. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk aan te vullen, waardoor er geen sprake is van schending van de hoorplicht. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.

Overwegingen

InhoudelijkDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
Hoorplicht
Per 1 augustus 2022 is besloten om in zaken waarin de burger wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde de procedure tijdelijk schriftelijk te laten plaatsvinden. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk aan te vullen. De omstandigheid dat deze gelegenheid wel aan de professioneel gemachtigde is geboden maar waarvan geen gebruik is gemaakt, brengt met zich dat niet wordt toegekomen aan de toets of gelegenheid is geboden om gehoord te worden.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 16 april 2023 en is de redelijke termijn dus met ruim twee maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Daarbij wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast, nu de matiging uitsluitend het gevolg is van overschrijding van de redelijke termijn (zie ECLI:NL:HR:2023:1526). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- =
€ 226,75
totaal € 226,75
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 186,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 62,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. J.T. Jonker, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: